Een overweging van de Heilige Pièrre-Julien Eymard over de H. Communie.

Ik, zo gelukkig in mijn koninkrijk, verga van droefheid in een vreemd land. – 1 Mach. 11

I. De aarde is een tranendal

Wij worden door een grote droefheid gekweld, die in het diepste van onze harten blijft zetelen, zonder dat wij er ons van kunnen ontdoen. Er is geen vreugde voor ons op aarde, vreugde die blijvend is en niet eindigt in tranen: zij bestaat hier niet en kan hier niet bestaan. Wij zijn uit ons land en uit het huis van onze vaderen verbannen. Deze droefheid is ons aller noodlottig erfdeel van onze gevallen vader Adam. Wij voelen vooral deze droefheid in onze eenzaamheid. Zij is soms verschrikkelijk! Zij is in ons en men weet niet vanwaar zij komt. De mensen zonder geloof verliezen de moed, wanhopen en verkiezen de dood boven zo’n leven. Afschuwelijke misdaad en onderpand van hun verwerping.

Welk geneesmiddel zullen wij, christenen, tegen deze ingeboren droefheid vinden? De oefening der deugd, de ijver der christelijke volmaaktheid? Dit is niet voldoende. De beproevingen, de bekoringen doen nog dikwijls onze droefheid zegevieren. Wanneer deze wrede droefheid een hart overmeestert, is men ten einde raad; men is overmand; gans verslagen. Onze Heer Jezus Christus, in de hof van Olijven, dacht ervan te sterven. En 33 jaar lang leefde Jezus onder de druk van droefheid. Hij was zachtaardig en goed, maar bedroefd, omdat hij onze zwakheden had aangenomen. Zie, hoe de Heer weende. Het H. Evangelie leert het ons, en zegt niet, dat hij ooit heeft gelachen.

De heiligen, gelijk hun Meester, brachten hun leven in droefheid door, omwille van hun ballinschap, en om het kwaad dat zij rondom zich zagen, en omdat zij God niet konden verheerlijken, gelijk zij verlangden. Maar zij heiligden hun droefheid.

Er is dus een geneesmiddel tegen dit algemeen kwaad nodig. Men mag niet alleen met zijn droefheid blijven, men moet ze uitstorten, ofwel gaat men er gans door overwonnen worden. Velen zoeken enkel menselijke vertroosting, en zij storten zich uit in het hart van een vriend of van een overste. Dit zal niet voldoende zijn, vooral wanneer God grotere beproeving overzendt. O, dan helpt het niets. Integendeel, ziende dat de goede woorden, de vaderlijke raadgevingen de vreugde niet hebben teruggebracht, wordt men nog erger bedroefd. De duivel tracht ons tot wantrouwen te brengen tegenover God; en met ziet de zuiverste en heiligste zielen God vluchten en zijn ontmoeting vrezen gelijk Adam in het Paradijs. Het gebed zelf kan de volkomen vreugde niet geven. Jezus bad drie uren lang in de hof van Gethsemane, en zijn droefheid ging niet voorbij; Hij ontving slechts de kracht ze te verdragen. Een goede biecht geeft ons kalmte, maar de gedachte een zo goede God beledigd te hebben, laat ons bedroefd. Waar is dus het ware geneesmiddel?

II. Het enige echte geneesmiddel

Het volstrekte geneesmiddel is de Heilige Communie; deze is altijd nieuw, een altijd krachtig geneesmiddel, waaraan de droefheid geen weerstand biedt. De Heer is in de Eucharistie tegenwoordig en komt door de H. Communie in ons, om rechtstreeks onze droefheid te bevechten. Ik beweer dat niemand, die met een waar en vurig verlangen naar Jezus communiceert, bij de H. Communie droevig blijft. Daarna zal de droefheid kunnen terugkeren, omdat het deel van onze ballingschap is; en zij zal zoveel eerder terugkomen, als wij tot onszelf keren en niet genoeg aan Gods goedheid blijven denken; maar nooit op het ogenblik van de H. Communie!

De H. Communie is een feestmaal; Jezus feest er met zijn getrouwe ziel; hoe kan men er bedroefd zijn? Ik beroep mij op uw persoonlijke ondervinding. Vóór de H. Communie, ondanks een goede biecht, waart gij bedroefd; maar hebt gij de vreugde niet in u voelen terugkeren, toen de Heer in uw hart neerdaalde?

Werd Zacheüs niet van vreugde vervuld bij het ontvangst van Jezus, alhoewel hij grote reden had om bedroefd te zijn over zijn afpersingen, welke men hem openbaar verweet? De twee leerlingen van Emmaüs, zo bedroefd op de weg, zelfs in gezelschap van Jezus, die hen aansprak en onderwees, worden van geluk vervuld na het breken van het brood. Hun hart stroomt van vreugde over, en ondanks de nacht, de lengte en de vermoeienis van de weg, lopen zij naar Jeruzalem om hun vreugde te verhalen en ze aan de Apostelen mee te delen.

Maar ziehier, een zondaar die alle misdaden heeft bedreven. Hij spreekt zijn biecht; zijn wonden worden geheeld. Hij komt tot beter leven; maar hij is altijd bedroefd; zij bekering maakt hem gevoeliger, en hij beweent thans, wat hij vroeger zelfs niet gevoelde, namelijk de smart welke hij God heeft aangedaan, en hoe oprechter en heiliger zijn bekering is; hoe groter zijn verdriet is. Ik heb God zozeer beledigd, die zo goed is!, zegt hij tot zichzelf.

Indien hij aan zichzelf overgelaten wordt, zal hij onder zijn droefheid bezwijken, en de duivel zal hem gans de moed ontnemen. Maar doet hem ter Communie gaan, dat hij in zichzelf de goedheid Gods mag voelen, en de vreugde en de vrede zullen in zijn hart komen. – Want zegt hij, ‘ik heb het brood der engelen ontvangen. Ik ben dus de vriend van God geworden!’

Zijn zonden bedroeven hem op dit ogenblik niet meer. De Heer zelf zegt hem, dat zijn zonden vergeven zijn; hoe zou hij het niet geloven. O, de vreugde door de H. Communie gegeven is het schoonste bewijs van Gods tegenwoordigheid in de H. Eucharistie. De Heer bewijst er zijn tegenwoordigheid door zich te laten voelen. “Tot hem, die Mij bemint zal Ik komen en Ik zal Mij aan hem openbaren.” De Heer openbaart zich door de vreugde, welke Hij meebrengt.

III. De ware vreugde

Merkt wel op, dat er twee soorten vreugde zijn: Diegene van het goed wat men doet en welke de vrucht is van de beoefening der deugd; het is de vreugde der zegepraal. Zij is goed, maar vertrouw ze niet. Komende van uw kant is zij niet zeer hecht, en gij zoudt er al uw beloning in kunnen vinden.

Maar de vreugde die van de H. Communie komt, en waarvan wij moeten erkennen dat deze niet van onszelf komt, maar van Jezus alleen; deze vreugde welke geen betrekking heeft met onze werken, ontvangen wij deze zonder vrees, verlaten wij er ons op, wanneer de Heer ze ons geeft; zij komt gans van Hem. Het kind dat geen enkele deugd, geen verdiensten bezit, verheugt zich niettemin en is gelukkig bij zijn moeder. Dat de tegenwoordigheid alleen van Jezus zo ook de oorzaak van onze vreugde moge zijn. Onderzoekt niet of gij minder of meer door uw werken de vreugde hebt verdiend, welke gij voelt. Verheugt u Jezus te bezitten en blijft aan zijn voeten, uw geluk genietend en zijn goedheid smakend.

Sommigen zijn bang veel op Gods goedheid te denken, omdat deze vraagt zich wederkerig geheel en al zonder maat aan God te geven. Zij zijn meer voor de wet, waar men van af is, als men ze volbracht heeft. Kleingeestige berekening, die zich niet past aan de zielen, aan wie de Heer zonder maat geeft! Smaken wij Gods goedheid zonder vrees, ontvangen wij gretig de vreugde, welke ons aangeboden wordt, bereid om aan de Heer edelmoedig te geven, al wat Hem zal behagen, van ons terug te vragen.

Uit: Het H. Sacrament Des Altaars, door de Z.E. Pater EYMARD, stichter der Congregatie van het Allerheiligste Sacrament – tweed reeks – De H. Communie, Boekhandel van het Allerh. Sacrament, Brussel, 1903

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s