Mysterium Fidei – Over de leer en de verering van de H. Eucharistie

Encycliek Mysterium Fidei van Paus Paulus VI – Over de Leer en de Verering van de H. Eucharistie

HOOFDSTUK 1 – Redenen tot herderlijke bezorgdheid en ongerustheid

1. Meningen, die verwarring stichten

Toch, eerbiedwaardige Broeders, hebben wij juist op dit punt, waarover het hier gaat, ook redenen tot ernstige pastorale bezorgdheid en ongerustheid, en in het besef van ons apostolisch ambt kunnen wij ook hier niet over zwijgen.

Het is ons namelijk bekend, dat sommigen, bij het spreken en schrijven over dit heilig Geheim, aangaande de privé-missen, het dogma van de transsubstantiatie en de verering van de Eucharistie meningen verkondigen, die de gelovigen van de wijs brengen en die bij hen geen geringe verwarring veroorzaken omtrent geloofswaarheden, alsof iedereen de door de Kerk gedefinieerde leer zo maar naast zich zou kunnen neerleggen of haar zo zou kunnen verklaren, dat de ware betekenis van de woorden of de algemeen aanvaarde portee van de begrippen wordt uitgehold.

2. Enkele punten, die door de Paus worden afgewezen

Men mag nl., om maar een voorbeeld te noemen, de waarde van de “gemeenschapsmis” niet zó overdrijven, dat men daardoor aan de waarde van de privé-missen te kort doet. Men mag ook niet eenzijdig de nadruk leggen op het aspect van het sacramentele teken, alsof met het symbolisch karakter, dat door iedereen als vaststaand wordt aangenomen voor de Eucharistie, reeds heel de manier van Christus’ tegenwoordigheid in dit Sacrament ten volle zou zijn weergegeven.

Evenmin mag men over het Geheim van de transsubstantiatie spreken zonder melding te maken van de wonderbare verandering van heel de substantie van het brood in het Lichaam en van heel de substantie van de wijn in het Bloed van Christus, volgens de leer van het Concilie van Trente, om enkel maar te spreken van wat men noemt de “transsignificatie” en “transfinalisatie”. Men mag tenslotte niet de mening verkondigen en in praktijk brengen, volgens welke in de geconsacreerde hosties, die na de viering van het Misoffer overblijven, Christus de Heer niet meer tegenwoordig zou zijn.

Het moet voor iedereen duidelijk zijn, dat door het verbreiden van deze en dergelijke meningen aanzienlijk afbreuk wordt gedaan aan het geloof in de Eucharistie en aan de verering ervan.

3. Bedoeling van de Paus

Om te voorkomen, dat de hoop, door het Concilie gewekt, omtrent een nieuwe uitstraling van eucharistische vroomheid, die heel de Kerk zou doordringen, vernietigd wordt door de reeds uitgezaaide verkeerde opvattingen, hebben wij besloten, eerbiedwaardige Broeders, u over dit onderwerp te spreken en met apostolisch gezag u onze mening hieromtrent kenbaar te maken. Zeker, wij willen niet ontkennen, dat zij, die deze vreemde meningen verbreiden, geleid worden door het lofwaardig streven om dieper door te dringen in dit grootse Geheim, de onuitputtelijke rijkdom ervan beter te laten zien en de zin ervan te verduidelijken voor de mensen van onze tijd. Integendeel, wij waarderen dit streven en keuren het goed. Maar de meningen die zij te berde brengen, kunnen we niet goedkeuren, en wij voelen ons verplicht, u te waarschuwen tegen het ernstig gevaar van die meningen voor het ware geloof.

HOOFDSTUK 2 – De Heilige Eucharistie is een geheim van het geloof

1. Een fundamentele waarheid

Allereerst willen wij u wijzen op een waarheid, u zeker overbekend, maar van fundamenteel belang om ieder vergift van rationalisme verwijderd te houden, een waarheid, waarvoor talrijke martelaren hun bloed hebben gegeven en die door beroemde Kerkvaders en Kerkleraars onophoudelijk is beleden en onderwezen, nl. dat de Eucharistie een zeer groot Geheim is, ja zelfs bij uitstek het geheim van het geloof, zoals de heilige Liturgie zegt. “In dit ene mysterie”, zo zegt heel juist onze voorganger Leo XIII z.g., “ligt door een geheel enige overvloed en verscheidenheid van wonderen, alles opgesloten wat bovennatuurlijk is.”

Wij moeten daarom dit Geheim benaderen in nederige onderwerping, niet steunend op menselijke redeneringen, die hier moeten zwijgen, maar in een onwrikbaar vasthouden aan de goddelijke openbaring.

2. Het getuigenis van Kerkvaders en Kerkleraars

De H. Johannes Chrysostomus, die, gelijk gij weet, met zoveel welsprekendheid en zoveel verlichte vroomheid sprak over het Geheim van de Eucharistie, heeft eens, toen hij zijn gelovigen over dit punt onderhield, zich zeer gelukkig uitgedrukt als volgt:

“Laten wij in alles aan God gehoorzamen zonder tegenspraak, ook al schijnt wat Hij zegt in strijd met onze rede en ons verstand; zijn woord moet zwaarder wegen dan onze rede en ons verstand. Laten wij dit ook doen met betrekking tot het Geheim (van de Eucharistie), door niet alleen oog te hebben voor datgene, wat binnen het bereik van onze zintuigen valt, maar door vast te houden aan zijn woorden. Zijn woord immers kan niet bedriegen.” [82, 4; PG 58, 743>]

Dergelijke uitspraken vinden wij ook herhaaldelijk bij de leraren van de scholastiek. De H. Thomas zegt: dat het waarachtig Lichaam en waarachtig Bloed van Christus tegenwoordig is in dit Sacrament, kan men niet met de zintuigen waarnemen, maar alleen weten door het geloof, dat steunt op het gezag van God. Daarom zegt Cyrillus in zijn commentaar op de woorden van Lucas 2 :

“Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt: Laat geen twijfel bij u opkomen of dit waar is; maar aanvaard liever in geloof de woorden van de Verlosser, want omdat Hij de Waarheid is, liegt Hij niet.”

Daarom zingt dan ook, in navolging van de engelachtige leraar, het christenvolk zo dikwijls:

“Het gezicht, het gevoel en de smaak bedriegen zich in u, alleen door het horen gelooft men veilig. Ik geloof alles wat Gods Zoon gezegd heeft: Niets is meer waar dan dit woord van de waarheid.”

De heilige Bonaventura verklaart zelfs:

“Dat Christus in het Sacrament tegenwoordig is als in een teken, levert geen moeilijkheid op, maar dat Hij in het Sacrament waarachtig tegenwoordig is, gelijk in de hemel, dat levert een zeer grote moeilijkheid op, en daarom is het uiterst verdienstelijk, dit te geloven.”

3. Het moeilijke van dit Geheim

Overigens laat ook het heilig Evangelie dit door schemeren, waar het verhaalt, dat velen van Christus’ leerlingen, na zijn toespraak over het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed, zich terugtrokken en de Heer verlieten met de woorden: “Deze taal stuit ons tegen de borst, en wie is nog in staat, naar Hem te luisteren?” Maar op de vraag van Jezus, of ook de Twaalf wilden heengaan, betuigde Petrus spontaan en vastbesloten zijn eigen geloof en dat van de overige apostelen met het wonderbare antwoord: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.” (Joh. 6, 60-68)

Het is daarom vanzelfsprekend, dat wij, bij de bestudering van dit Geheim, ons als door een ster laten leiden door het leergezag van de Kerk, waaraan de goddelijke Verlosser het geschreven of overgeleverde woord Gods ter bewaring en ter verklaring heeft toevertrouwd, en dat wij dit doen in de vaste overtuiging:

“Al kan het verstand het nooit doorgronden en geen woord het verklaren, toch blijft datgene waar, wat van oudsher door het echte katholieke geloof in de gehele Kerk is verkondigd en geloofd.”

4. De noodzaak van een juiste terminologie

Maar dit is niet voldoende. Naast de ongereptheid van het geloof moet men ook een juiste manier van spreken in acht nemen, om te voorkomen, dat door het gebruik van ondoordachte termen bij ons, wat God verhoede, valse meningen zouden ontstaan omtrent het geloof in de meest verheven mysteries. Een ernstige vermaning laat hier de H. Augustinus horen, wanneer hij het verschil beschouwt tussen de spreektrant, die de filosofen gebruiken, en die, welke de christenen moeten gebruiken:

“De wijsgeren spreken met grote vrijheid van uitdrukking en zij schrikken er niet voor terug, in zaken, die moeilijk te begrijpen zijn, godvruchtige oren te kwetsen. Wij echter moeten ons bij het spreken aan strikte normen houden, om niet door willekeur in het gebruik van de termen een valse mening te doen ontstaan ook omtrent datgene, wat door de termen wordt aangegeven.”

5. Eerbied voor de kerkelijke formuleringen van het dogma

Men moet zich dus gewetensvol houden aan de vaste uitdrukkingswijze, die de Kerk in een eeuwenlange arbeid, niet zonder de bijstand van de Heilige Geest, heeft vastgesteld en door het gezag van de concilies heeft bekrachtigd en die vaak het kenmerk en de manier van het zuivere geloof is geworden; en niemand mag zo aanmatigend zijn om deze uitdrukkingswijze naar willekeur of onder het voorwendsel van nieuwe wetenschap te veranderen. Wie immers zou kunnen dulden, dat men de dogmatische formuleringen, die de oecumenische concilies hebben gebruikt voor de mysteries van de heilige Drie-eenheid en van de Menswording, zou bestempelen als niet meer aangepast aan de mensen van onze tijd en ze zo maar door andere zou vervangen? Zo is het eveneens ontoelaatbaar, dat iemand op eigen gezag zou gaan tornen aan de formuleringen, waarmee het Concilie van Trente het geheim van de Eucharistie te geloven heeft voorgehouden. Want deze formuleringen, alsook de andere, waarvan de Kerk zich bedient om ons de dogma’s van het geloof voor te houden, drukken begrippen uit, die niet gebonden zijn aan een bepaalde cultuurvorm, aan een bepaalde graad van wetenschappelijke vooruitgang of aan de een of andere theologische school; maar ze brengen datgene tot uitdrukking, wat de menselijke geest, steunend op een universele en noodzakelijke ervaring, omtrent de realiteit ontdekt en wat hij weergeeft in de juiste en vaststaande termen, die ontleend zijn ofwel aan het gewone ofwel aan het meer ontwikkelde spraakgebruik. Daarom zijn deze termen aangepast aan alle mensen van alle tijden en plaatsen.

Zeker, men mag proberen, die formuleringen duidelijker en uitvoeriger te verklaren, en vaak gebeurt dit met veel vrucht; maar men mag dit nooit doen in een andere zin dan waarin ze zijn gebruikt, want bij een groeiend geloofsinzicht moet de waarheid van het geloof onveranderd blijven. Volgens de leer immers van het Eerste Vaticaans Concilie moet men bij de heilige dogma’s “steeds vasthouden aan de zin, die onze Moeder de heilige Kerk eens en voor altijd heeft vastgelegd, en mag men nooit daarvan afwijken onder het schijnmotief van een dieper inzicht”.

HOOFDSTUK 3 – Het geheim van de Eucharistie wordt voltrokken in het Offer van de Mis

1. Het geheim van de Eucharistie en het Kruisoffer

Tot gemeenschappelijke stichting en voldoening van allen willen wij nu met u, eerbiedwaardige Broeders, de leer beschouwen, die de katholieke Kerk uit de overlevering bezit omtrent het Geheim der Eucharistie en die zij eenstemmig onderwijst.

Allereerst moeten wij wijzen op hetgeen de samenvatting en het kernpunt is van deze leer, nl. dat het Geheim van de Eucharistie het Kruisoffer, dat eens op Calvarië is voltrokken, op wonderbare wijze tegenwoordig stelt, de herinnering daaraan voortdurend oproept en de heilbrengende kracht ervan op ons toepast tot vergiffenis van de zonden, die wij dagelijks bedrijven.

2. De Eucharistie in de getuigenissen van het Nieuwe Testament

Want toen Christus de Heer het Geheim van de Eucharistie instelde, heeft Hij het Nieuwe Verbond, waarvan Hij de Middelaar is, bezegeld met zijn Bloed, zoals vroeger Mozes het Oude Verbond bezegeld had met het bloed van kalveren. 2
Zoals immers de evangelisten verhalen, “nam Jezus bij het laatste avondmaal het brood, sprak een dankgebed uit, brak het, en gaf het hun met de woorden.

“Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot een gedachtenis aan Mij”. Evenzo gaf Hij de beker, na de maaltijd, terwijl Hij sprak: “Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten”. (Lc. 22, 19-20)

Door aan zijn apostelen de opdracht te geven, dit te doen tot gedachtenis aan Hem, wilde Hij, dat dit voortdurend zou worden vernieuwd. De oude Kerk heeft deze opdracht getrouw uitgevoerd door te volharden in de leer van de apostelen en samen te komen voor de viering van het eucharistisch offer. “Zij legden zich ernstig toe”, gelijk de H. Lucas het nauwkeurig zegt, “Op de leer van de apostelen en bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed.” (Hand. 2, 42) En hierdoor werden de gelovigen vervuld met zulk een vurigheid, dat men van hen kon zeggen: “de menigte, die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel”. (Hand. 4, 32)

De apostel Paulus, die ons zo getrouw heeft overgeleverd, wat hij van de Heer had ontvangen (1 Kor. 11, 23 v.v.), spreekt duidelijk over het eucharistisch Offer, wanneer hij verklaart, dat de christenen niet mogen deelnemen aan de heidense offers, omdat zij deel hebben gekregen aan de tafel des Heren. Hij zegt: “Geeft niet de beker der zegening, die wij zegenen, gemeenschap met het Bloed van Christus? Geeft niet het brood, dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam van Christus?… Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der demonen; gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heren en aan de tafel der demonen.” (1 Kor. 10, 16.21) Dit nieuwe offer van het Nieuwe Verbond, door Malachias reeds aangekondigd (Mal. 1, 11) had, heeft de Kerk, onderricht door de Heer en de apostelen, altijd opgedragen “niet slechts voor de zonden, de straffen, de voldoeningen en andere noden van de nog levende gelovigen, maar ook voor de in Christus overledenen, die nog niet geheel gezuiverd zijn”.

3. Het getuigenis van de christelijke oudheid

Om te zwijgen van andere getuigenissen, willen wij slechts dat van de H. Cyrillus van Jeruzalem noemen, die bij zijn onderricht in het christelijk geloof aan de pas gedoopten deze gedenkwaardige woorden sprak:

“Na het geestelijk offer, de onbloedige eredienst, voltrokken te hebben, willen wij God, in aanwezigheid van dit offer van verzoening, bidden voor de algemene vrede der Kerken, voor een rechtvaardige orde in de wereld, voor de regeerders, voor de soldaten en bondgenoten, voor de zieken, voor de lijdenden; en wij allen bidden en dragen dit offer op in het algemeen voor allen, die hulp nodig hebben… Verder bidden wij ook voor onze overleden vaders en bisschoppen en voor allen, die onder ons gestorven zijn. Wij geloven immers, dat wij zo in hoge mate hulp bieden aan de zielen, voor wie wij bidden in de presentie van het heilig en ontzagwekkend offer.”

De heilige leraar wist dan ter illustratie op de krans, die men vlecht voor de keizer om zijn gratie te verkrijgen voor de verbannenen, en hij besluit aldus:

“Op dezelfde wijze bidden ook wij God voor de overledenen, ook al zijn zij zondaars, en wij vlechten daarbij geen krans, maar wij bieden daarbij Christus aan, die voor onze zonden werd geslachtofferd, en zo trachten wij de gunst en de vergiffenis te verwerven van de barmhartige God zowel voor de overledenen als voor ons .”

Dat deze gewoonte om ook voor de overledenen “het offer van onze losprijs” op te dragen in de Kerk van Rome bestond, getuigt de H. Augustinus en hij merkt daarbij op, dat die gewoonte, als door de Vaders overgeleverd, door de gehele Kerk wordt gepraktiseerd.

4. De Eucharistie als het Offer van de gehele Kerk

Maar er is nog iets anders, dat wij als een uitstekende verheldering van het mysterie van de Kerk hieraan willen toevoegen, nl. dat de Kerk, wanneer zij samen met Christus optreedt als priester en offer, in haar geheel het Offer van de Mis opdraagt en dat zij in dat Offer ook in haar geheel wordt opgedragen. Deze prachtige leer is reeds van oudsher door de Vaders onderwezen ; ze is, enkele jaren geleden, door onze voorganger Pius XII, zaliger gedachtenis, uiteengezet
en onlangs ook door het Tweede Vaticaans Concilie geformuleerd in de Constitutie over de Kerk, waar gehandeld wordt over het volk Gods. En het is onze vurige wens, dat ze steeds beter wordt belicht en de gelovigen steeds dieper wordt ingeprent, met de juiste inachtneming van het niet slechts graduele, maar ook wezenlijke onderscheid tussen het algemeen priesterschap van de gelovigen en het hiërarchisch priesterschap. Want deze leer is uitermate geschikt om de eucharistische godsvrucht te bevorderen, de waardigheid van alle gelovigen in het licht te stellen en hen aan te sporen tot het streven naar de hoogste heiligheid, die bestaat in een zich volledig wegschenken aan de goddelijke Majesteit door het edelmoedig offer van zichzelf.

5. Het publieke en sociale karakter van iedere Mis

Verder moeten wij nog wijzen op de conclusie, die uit deze leer voortvloeit omtrent “het publieke en sociale karakter van iedere Mis”. Want iedere Mis, ook al wordt ze privé, door de priester gecelebreerd, is toch geen privé-zaak, maar een act van Christus en de Kerk. De Kerk immers heeft geleerd om in het Offer, dat zij opdraagt, zichzelf als een universeel Offer op te dragen, en zij past daarin de unieke en oneindige verlossingskracht van het Kruisoffer toe op de gehele wereld, tot haar heil. Want iedere Mis wordt gecelebreerd niet slechts tot heil van enkelen, maar ook voor dat van de gehele wereld. Hieruit vloeit het volgende voort: Al is de actieve deelname van een groot aantal gelovigen aan de viering van de Mis uiteraard zeer gewenst, toch is het niet af te keuren, ja zelfs goed te keuren, dat om een billijke reden de Mis privé wordt opgedragen door een priester met slechts één ministrant, die dient en antwoordt, altijd volgens de voorschriften en de wettige tradities van de heilige Kerk. Want zulk een Mis schenkt een grote, ja overvloedige rijkdom van bijzondere genaden zowel tot heil van de priester zelf als van het gelovige volk, van de gehele Kerk en van de gehele wereld, genaden, die men niet in diezelfde overvloed ontvangt door alleen maar te communiceren.

6. Aansporing tot de priesters

Daarom sporen wij de priesters, die heel bijzonder onze vreugde en onze kroon uitmaken in de Heer, vaderlijk en dringend aan, dat zij de macht indachtig mogen zijn, die zij bij hun wijding van de bisschop hebben ontvangen, om nl. aan God het Offer op te dragen, de Mis te vieren voor levenden en overledenen in de naam des Heren , en dat zij dagelijks waardig en met godsvrucht de Mis mogen vieren, opdat zijzelf en de andere gelovigen deelachtig worden aan de rijke vruchten van het Kruisoffer. Op deze wijze zullen zij ook veel bijdragen tot het heil van de mensheid.

HOOFDSTUK 4 – In het Offer van de Mis komt Christus sacramenteel tegenwoordig

1. Onafscheidelijk verband van Offer en Sacrament

Deze korte uiteenzetting over het Offer van de mis voert ons vanzelf tot enkele opmerkingen over het sacrament van de Eucharistie, aangezien beide, Offer en Sacrament, behoren tot hetzelfde Geheim en niet van elkaar te scheiden zijn. De Heer offert zich op onbloedige wijze in het Offer van de Mis, door het H. Misoffer tegenwoordig te stellen en de heilbrengende kracht ervan uit te delen, op het ogenblik, waarop Hij door de woorden van de Consecratie sacramenteel aanwezig komt onder de gedaanten van brood en wijn, als geestelijk voedsel van de gelovigen.

2. De verschillende wijzen van tegenwoordigheid van Christus bij zijn Kerk

Wij allen weten, dat Christus op meer dan één manier tegenwoordig is bij zijn Kerk. Deze aantrekkelijke waarheid, die reeds kort uiteengezet is in de Constitutie over de heilige Liturgie, willen wij iets uitvoeriger ontwikkelen. Christus is tegenwoordig bij zijn biddende Kerk, omdat Hij het is, die “bidt voor ons en bidt in ons, en tot wie wij bidden. Hij bidt voor ons als onze priester; Hij bidt in ons als ons Hoofd; en wij bidden tot Hem als onze God”. Hijzelf heeft beloofd: “waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Mt. 18, 20). Hij is tegenwoordig bij zijn Kerk, als zij de werken van barmhartigheid beoefent, niet alleen, omdat, als wij iets goeds doen aan een der geringsten van zijn broeders, wij dit aan Christus zelf doen, maar ook, omdat het Christus is, die deze werken verricht door zijn Kerk, doordat Hij voortdurend de mensen te hulp komt met zijn goddelijke liefde. Hij is tegenwoordig bij zijn Kerk, die op pelgrimstocht is en vurig uitziet naar de haven van het eeuwige leven, want Hij woont in onze harten door het geloof en Hij stort daarin de liefde uit door de Heilige Geest, die Hij ons schenkt.

Op een andere, maar zeer waarachtige wijze is Hij tegenwoordig bij zijn Kerk, die predikt, omdat het Evangelie dat zij verkondigt, het Woord van God is, en slechts in de naam en op het gezag en met de bijstand van Christus, het mensgeworden Woord van God, gepredikt wordt, opdat er “één kudde moge zijn, die veilig is onder één herder”.

Hij is tegenwoordig bij zijn Kerk in haar leiding en bestuur van het volk Gods, omdat de gewijde macht komt van Christus, en Christus, “de Herder der herders”, de herders bijstaat in de uitoefening van die macht, overeenkomstig zijn belofte aan de apostelen.

3. De tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie en in de andere Sacramenten

Bovendien is Christus op een nog verhevener wijze bij zijn Kerk tegenwoordig, wanneer zij in zijn Naam het Offer van de Mis opdraagt en de Sacramenten toedient. Wat betreft de tegenwoordigheid van Christus bij het opdragen van het Misoffer, willen wij herinneren aan hetgeen de H. Johannes Chrysostomus, vol van bewondering, zo waar en tegelijk zo treffend zei:

“Ik wil hieraan nog iets heel verbazingwekkends toevoegen, maar verwondert u niet en weest niet ontsteld. Wat dan? Het Offer is hetzelfde, wie het ook opdraagt, Paulus of Petrus, het is hetzelfde Offer, dat Christus aan de leerlingen gaf en dat de priesters thans voltrekken. Dit laatste Offer is niets minder dan het eerste, want niet de mensen maken het heilig, maar Hijzelf, die het eens geheiligd heeft. Gelijk immers de woorden, die God eens gesproken heeft, dezelfde zijn als die de priester nu spreekt, zo is ook het Offer hetzelfde.”

Verder weet iedereen, dat de Sacramenten handelingen zijn van Christus, die ze toedient door middel van mensen. Daarom zijn de sacramenten heilig uit zichzelf, en terwijl ze in contact komen met het lichaam, storten zij door Christus’ kracht genade uit in de ziel. Deze verschillende manieren van tegenwoordigheid vervullen ons met bewondering en houden ons het mysterie van de Kerk ter overweging voor. Maar geheel anders is de wijze, de allerverhevenste wijze, waarop Christus bij zijn Kerk tegenwoordig is in het Sacrament van de Eucharistie, dat daarom boven de andere Sacramenten aantrekkelijker is door de godsvrucht, schoner door het begrijpen, heiliger door zijn inhoud”; het bevat immers Christus zelf en is “als het ware de voltooiing van het geestelijk leven en het doel van alle Sacramenten.”

4. De eucharistische tegenwoordigheid als “werkelijke” tegenwoordigheid

Deze tegenwoordigheid wordt een “werkelijke” tegenwoordigheid genoemd, niet bij wijze van uitsluiting, alsof de andere manieren van tegenwoordigheid niet werkelijk zouden zijn, maar bij wijze van “uitnemendheid”, omdat ze “substantieel” is, en hierdoor Christus, God en mens, totaal en volledig tegenwoordig komt. 11
Men verklaart dus deze manier van tegenwoordigheid verkeerd, wanneer men haar ziet als de alomtegenwoordige “pneumatische” natuur, zoals men het uitdrukt van het verheerlijkte Lichaam van Christus, of als men ze beperkt tot een symbolisme, alsof dit hoogheilig Sacrament in niets anders zou bestaan dan in een werkdadig teken van de geestelijke tegenwoordigheid van Christus en van zijn intieme vereniging met zijn ledematen, de gelovigen, in het mystieke Lichaam”

5. Het eucharistisch symbolisme als beeld van de kerkelijke eenheid

Zeker de Vaders en de leraars van de scholastiek hebben veel gesproken over het eucharistische symbolisme, vooral met betrekking tot de eenheid van de Kerk; en bij de samenvatting van hun leer heeft het Concilie van Trente verklaard, dat onze Verlosser aan zijn Kerk de Eucharistie heeft nagelaten “als een symbool van … de eenheid en de liefde, waarmee Hij alle christenen innig met elkaar verbonden wilde zien,” “en dus als een symbool van dat éne lichaam, waarvan Hij het Hoofd is”.
Reeds in de alleroudste christelijke literatuur schreef de onbekende auteur van de “Didachè” of de “leer der twaalf apostelen” hieromtrent: “Aangaande de Eucharistie nu zult gij aldus dankzeggen: … zoals dit gebroken brood verspreid was over de bergen en, na verzameld te zijn, één is geworden, zo moge uw Kerk worden verzameld van de uitersten der aarde tot uw rijk.” Zo zegt ook de H. Cyprianus, als hij de eenheid van de Kerk verdedigt tegen het schisma:

“Tenslotte geeft ook het Offer zelf van de Heer de eensgezindheid aan van de christenen, een eensgezindheid, die door een hechte en onverbreekbare liefde wordt gevormd. Want wanneer de Heer zijn Lichaam brood noemt, dat is ontstaan uit de verbinding van vele korrels, dan duidt Hij ons ééngeworden volk aan, dat Hij droeg; en wanneer Hij zijn Bloed wijn noemt, die uit vele trossen druiven is geperst en samengevloeid, dan bedoelt Hij eveneens onze kudde, die is samengebracht door de verbinding van een grote menigte.”

Overigens was de Apostel in zijn Brief aan de Korintiërs hun allen reeds voorgegaan: “Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne brood.” (1 Kor. 10, 17)

6. De Eucharistie is werkelijk het Vlees en Bloed van Christus

Maar al is het eucharistisch symbolisme uitstekend geschikt om ons de eigen uitwerking van dit Sacrament, de eenheid van het mystieke Lichaam, goed te doen begrijpen, toch verklaart en verduidelijkt het niet het wezen zelf van dit Sacrament, waardoor het zich van de andere sacramenten onderscheidt. Want het voortdurende onderricht van de katholieke Kerk aan de catechumenen, de geloofsovertuiging van het christenvolk, de leer, door het Concilie van Trente gedefinieerd, en de woorden zelf, waarmee Christus de heilige Eucharistie heeft ingesteld, dwingen ons, te belijden, “dat de Eucharistie het Vlees is van onze Verlosser Jezus Christus, dat om onze zonden heeft geleden en dat de Vader in zijn goedheid heeft opgewekt”. Aan deze woorden van de H. Ignatius van Antiochië willen wij nog de woorden toevoegen, die Theodorus van Mopsueste, in deze materie een getrouw getuige van het geloof van de Kerk, tot zijn volk sprak:

“De Heer immers zei niet: Dit is het symbool van mijn Lichaam en dit is het symbool van mijn Bloed, maar: dit is mijn Lichaam en mijn Bloed. Hij leert ons, niet af te gaan op de natuur van de betreffende zaak, die door onze zintuigen wordt waargenomen. Want deze is door de dankzegging en door de woorden, die er over zijn uitgesproken, veranderd in Vlees en Bloed.”

7. De leer van het Concilie van Trente

Het Concilie van Trente, steunend op dit geloof van de Kerk, belijdt openlijk en onomwonden,

“dat in het verheven Sacrament van de heilige Eucharistie, na de consecratie van het brood en de wijn, onze Heer Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mens, waarachtig, werkelijk en substantieel tegenwoordig is onder de gedaanten van die zichtbare dingen.” Daarom is onze Verlosser in zijn mensheid tegenwoordig niet alleen aan de rechterhand van de Vader volgens de natuurlijke bestaanswijze, maar tegelijk ook in het sacrament van de Eucharistie “volgens een bestaanswijze, die wij weliswaar nauwelijks in woorden kunnen uitdrukken, maar waarvan wij met ons door het geloof verlicht verstand kunnen weten en standvastig moeten geloven, dat ze bij God mogelijk is”.

HOOFDSTUK 5 – Christus de Heer is in het Sacrament van de Eucharistie tegenwoordig door de transsubstantiatie

1. De betekenis van de term “Transsubstantiatie”

Willen wij deze wijze van tegenwoordigheid, die de wetten van de natuur te boven gaat en in haar soort het grootste van alle wonderen is , niet verkeerd verstaan, dan moeten wij volgzaam luisteren naar de stem van de Kerk in haar leer en gebed. Welnu, deze stem, die de voortdurende echo is van de stem van Christus, verzekert ons, dat Christus in dit Sacrament niet anders tegenwoordig komt dan door de verandering van heel de substantie van het brood in het Lichaam van Christus, en van heel de substantie van de wijn in zijn Bloed, een wonderbare verandering van unieke aard, die door de katholieke Kerk met een juiste en geëigende term “transsubstantiatie” wordt genoemd.

Door de transsubstantiatie krijgen de gedaanten van brood en wijn ongetwijfeld een nieuwe betekenis en een nieuw doel, omdat ze geen gewoon brood en geen gewone drank meer zijn, doch het teken van iets heiligs, het teken van een geestelijk voedsel; maar ze krijgen slechts in zoverre een nieuwe betekenis en een nieuw doel, in zoverre ze een nieuwe “werkelijkheid” bevatten, die wij terecht ontologisch noemen. Immers, onder de genoemde gedaanten is niet meer dat wat er eerst was, maar iets geheel anders; en dit niet alleen op grond van het geloofsoordeel van de Kerk, maar in de objectieve werkelijkheid. Want wanneer de substantie of natuur van het brood en de wijn veranderd is in het Lichaam en Bloed van Christus, blijven er van het brood en de wijn alleen de gedaanten, waaronder Christus geheel en volledig tegenwoordig is in zijn fysieke “werkelijkheid”, ook lichamelijk, hoewel niet op dezelfde wijze als waarop de lichamen plaatselijk ergens zijn.

2. De uitwerking van Christus’ kracht in dit Sacrament

Daarom was het de grote zorg van de Vaders, de gelovigen erop te wijzen, dat zij bij het beschouwen van dit verheven Sacrament niet mochten afgaan op de zintuigen, die de eigenschappen van brood en wijn waarnemen, maar dat zij moesten steunen op de woorden van Christus, die de kracht bezitten om brood en wijn te veranderen, om te vormen, te “transelementeren” in zijn Lichaam en Bloed. Inderdaad, de kracht, die dit uitwerkt, is, zoals de Vaders dikwijls verklaren, dezelfde kracht van de almachtige God, die bij het begin van de tijd het heelal uit het niets heeft geschapen.

3. De getuigenissen van de Kerkvaders

De H. Cyrillus van Jeruzalem besluit zijn preek over de geloofsgeheimen met de volgende woorden:

“Nu gij dit alles weet en bezield zijt met het vaste geloof, dat wat brood schijnt, geen brood is, al heeft het de smaak ervan, maar het Lichaam van Christus; en dat wat wijn schijnt, geen wijn is, al heeft het de smaak ervan, maar het Bloed van Christus, … sterk nu uzelf innerlijk door dit brood te nuttigen als een geestelijke spijs, en verbond u met innerlijke vreugde.”

De H. Johannes Chrysostomus onderstreept dit nog:

“Het is niet de mens, die bewerkt, dat de offergaven Christus’ Lichaam en Bloed worden, maar Christus zelf, die voor ons gekruisigd is. De priester staat daar als vertegenwoordiger van Christus en spreekt de woorden uit, maar de kracht en de genade ervan komen van God. Dit is mijn Lichaam, zegt hij. Door dit woord worden de offergaven omgevormd.”

En bij Johannes, de bisschop van Constantinopel, sluit zich volkomen aan Cyrillus, de bisschop van Alexandrië, die in zijn commentaar op het Evangelie van Mattheus schrijft:

“Hij zei zeer positief: Dit is mijn Lichaam en dit is mijn Bloed, opdat gij niet zoudt menen, dat hetgeen men ziet slechts een symbool is, maar integendeel zoudt geloven, dat de offergaven op een mysterieuze wijze door de almachtige God werkelijk veranderd worden in het Lichaam en Bloed van Christus; en als wij daaraan deelnemen, ontvangen wij de levenwekkende en de heiligende kracht van Christus.”

En Ambrosius, de bisschop van Milaan, spreekt op duidelijke wijze over de eucharistische verandering als volgt:

“Laten wij ervan overtuigd zijn, dat dit niet iets is, wat de natuur gevormd heeft, maar iets wat de zegening heeft geconsacreerd, en dat de kracht van de zegening sterker is dan de kracht van de natuur, want door de zegening wordt ook de natuur veranderd.”

En ter bevestiging van de waarheid van het geheim noemt hij talrijke wonderen, die in de Schrift vermeld staan, o.a. de geboorte van Christus uit de Maagd Maria, beschouwt dan het werk van de schepping en besluit:

“Kan dan het woord van Christus, dat uit het niet kon voortbrengen iets wat niet bestond, de bestaande dingen niet veranderen in wat ze niet waren? Het is immers niet iets geringers, aan de dingen hun eigen natuur te geven dan hun natuur te veranderen.”

4. Het optreden van de Kerk tegen Berengarius

Maar het is niet nodig, veel getuigenissen aan te halen. Wij willen liever wijzen op de geloofszekerheid, waarmee de Kerk eensgezind in verzet kwam tegen Berengarius, toen deze, bezwijkend voor de bezwaren van het menselijk verstand, als eerste de eucharistische verandering durfde loochenen, en op het feit, dat de Kerk hem meermalen veroordeelde, toen hij niet wilde herroepen. Daarom heeft onze voorganger Gregorius VII van hem een eed geëist van de volgende inhoud:

“Innerlijk geloof ik en met de mond belijd ik, dat het brood en de wijn op het altaar, door het mysterie van het heilig gebed en de woorden van onze Verlosser, wezenlijk veranderd worden in het waarachtige, echte en levenwekkende Vlees en Bloed van onze Heer Jezus Christus, en dat er na de consecratie het waarachtige Lichaam van Christus is, dat geboren is uit de Maagd, geslachtofferd en gekruisigd werd voor het heil van de wereld en dat zetelt aan de rechterhand van de Vader; en dat er het waarachtige Bloed is van Christus, dat uit zijn zijde vloeide; en zulks niet alleen als het teken en de kracht van het Sacrament, maar in de eigenheid van de natuur en in de werkelijkheid van de substantie.”

5. De leer van de Concilies

Met deze woorden komt ook overeen prachtig voorbeeld van de onwrikbaarheid van het katholiek geloof de constante leer van de Oecumenische Concilies van het Lateraan, van Constanz, Florence en tenslotte van Trente omtrent het mysterie van de eucharistische verandering, hetzij in het uiteenzetten van de kerkelijke leer hetzij in het veroordelen van dwalingen.

6. Het getuigenis van de pausen

Na het Concilie van Trente heeft onze voorganger Pius VI, zich richtend tegen de dwalingen van de synode van Pistoia, de pastoors ernstig aangespoord om bij hun geloofsonderricht niet na te laten, te spreken over de transsubstantiatie, die behoort tot de geloofspunten. Evenzo heeft onze voorganger Pius XII, z.g., erop gewezen, dat men, bij de discussies over het Geheim van de transsubstantiatie, bepaalde grenzen niet mag overschrijden. En wijzelf hebben onlangs bij de viering van het Italiaans Nationaal Eucharistisch Congres te Pisa, overeenkomstig ons apostolisch ambt, openlijk en plechtig getuigenis afgelegd van het geloof van de Kerk.

7. Het getuigenis van de eredienst van de Kerk

Overigens heeft de katholieke Kerk het geloof in de tegenwoordigheid van het Lichaam en Bloed van Christus in de Eucharistie niet alleen onderwezen, maar ook beleefd door aan dit verheven Sacrament altijd de eredienst van aanbidding te schenken, die alleen aan God toekomt. Van deze eredienst zegt de H. Augustinus:

“In dit Vlees heeft (de Heer) hier op aarde geleefd, en ditzelfde Vlees heeft Hij ons gegeven als spijs voor ons heil. Niemand eet dit Vlees zonder het eerst te aanbidden … en niet alleen begaan wij geen zonde door het te aanbidden, maar wij zondigen juist als wij het niet aanbidden.”

HOOFDSTUK 6 – De eredienst van aanbidding, verschuldigd aan het Sacrament van de Eucharistie

1. De eredienst aan de Eucharistie zowel gedurende de H. Mis als daarbuiten

De katholieke Kerk heeft deze eredienst van aanbidding, die men aan het sacrament van de Eucharistie verschuldigd is, daaraan geschonken en schenkt deze nog altijd niet alleen gedurende de Mis, maar ook daarbuiten, en wel door de geconsacreerde hosties met de grootste zorg te bewaren, ze door de gelovigen plechtig te laten vereren en ze in processie rond te dragen onder grote vreugde van het volk.

2. De getuigenissen van de christelijke oudheid

Van deze verering vinden wij talrijke getuigenissen in de oudste kerkelijke documenten. De herders van de Kerk pleegden de gelovigen aan te sporen om de Eucharistie, die zij in hun huis bewaarden, met de grootste zorg te omgeven.

“Het Lichaam van Christus moet door de gelovigen worden genuttigd en mag niet achteloos worden behandeld”, aldus de ernstige vermaning van de H. Hippolytus

Inderdaad, de gelovigen voelden zich schuldig, en terecht, gelijk Origenes zegt, als zij na het ontvangen van het Lichaam des Heren en ondanks al hun zorg en eerbied bij het bewaren, ook maar een partikel er van door nalatigheid lieten vallen.

Dat de herders elk eventueel gebrek aan de verschuldigde eerbied streng berispten, blijkt uit het getuigenis van Novatianus, die in dit punt geloofwaardig is. Hij veroordeelt iemand, die “uit de zondagsmis kwam met, zoals toen gebruikelijk was, de Eucharistie nog bij zich, … en het heilig Lichaam van de Heer meenam”, niet naar zijn huis, maar naar de schouwspelen.

De H. Cyrillus van Alexandrië verwerpt als een dwaasheid de bewering, dat de Eucharistie geen waarde meer heeft voor de heiliging, als iets ervan tot een volgende dag bewaard blijft: “Christus immers”, zo zegt hij, “verandert niet, en ook zijn heilig Lichaam verandert niet, maar de kracht en de werking van de zegening en de levendmakende genade blijven altijd daarin bestaan.”

Men vergete ook niet, dat vroeger de gelovigen, ofwel in tijden van vervolging ofwel in de eenzaamheid levend uit liefde voor het monastieke leven, ook dagelijks de Eucharistie nuttigden, waarbij zo, bij afwezigheid van een priester of diaken, de heilige communie met eigen handen namen.

Hiermee willen wij niet zeggen, dat er in de wijze om de Eucharistie te bewaren en de H. Communie te ontvangen, zoals die later door de kerkelijke wetten is vastgelegd en nog altijd van kracht is, iets veranderd moet worden, maar wij zeggen dit alleen om ons te verheugen over het geloof van de Kerk, dat altijd één en hetzelfde is.

3. Het feest van Sacramentsdag

Uit dit ene geloof is ook het feest van Sacramentsdag ontstaan, dat, vooral door de bemoeiingen van de dienaresse Gods, de zalige Juliana van Mont-Cornillon, voor het eerst gevierd werd in het bisdom Luik en dat onze voorganger Urbanus IV tot heel de Kerk heeft uitgestrekt. Ook zijn hieruit voortgekomen de vele andere instellingen van eucharistische godsvrucht, die onder ingeving van Gods genade steeds talrijker zijn geworden, en waardoor de katholieke Kerk als om strijd hulde wil brengen aan Christus, Hem wil danken voor deze grote gave en zijn barmhartigheid wil afsmeken.

HOOFDSTUK 7 – Aansporing tot een grotere verering van de Eucharistie

1. Beroep op de bisschoppen

Wij vragen u daarom, eerbiedwaardige Broeders, om dit geloof, dat niets anders beoogt dan een volmaakte trouw aan de woorden van Christus en van de apostelen, onder het volk, dat aan uw zorg en waakzaamheid is toevertrouwd, zuiver en ongerept te willen bewaren en om alle verkeerde en gevaarlijke meningen resoluut te willen afwijzen.

Wij vragen u verder om met alle aandrang en zonder moeite te sparen de verering van de Eucharistie te willen bevorderen, want daarop dienen tenslotte alle andere vormen van godsvrucht gericht te zijn.

2. Aansporing tot de gelovigen

Mogen de gelovigen, onder uw leiding, steeds beter de waarheid van Augustinus’ woorden leren begrijpen en ervaren:

“Wie wil leven, heeft een plaats om te leven en heeft de middelen om te leven. Laat hij komen, geloven, zich bij ons aansluiten om het leven te verkrijgen. Laat hij niet afzijdig blijven van het geheel, laat hij geen ziek lidmaat zijn, dat moet worden weggesneden, geen misvormd lidmaat, waarover men zich schaamt, maar een schoon, passend en gezond lidmaat; laat hij verenigd blijven met het lichaam, laat hij uit God voor God leven, en laat hij nu op aarde werken om later te heersen in de hemel.”

Mogen de gelovigen, gelijk gewenst is, dagelijks en in groten getale actief deelnemen aan het Misoffer, met liefde en heiligheid de H. Communie ontvangen en Christus de Heer danken voor deze grote gave. Laten zij denken aan de volgende woorden:

“Het verlangen van Jezus Christus en de Kerk, dat alle gelovigen dagelijks tot de heilige tafel naderen, beoogt vooral dit, dat de gelovigen, door dit Sacrament met God verenigd, daaruit de kracht mogen putten om hun hartstochten te bedwingen, zich van de kleine smetten van het dagelijkse leven te zuiveren en zich te vrijwaren voor de zwaardere zonden, waaraan de menselijke zwakheid is blootgesteld.”

Ook zullen zij niet nalaten, in de loop van de dag een bezoek te brengen aan het heilig Sacrament, dat op een uiterst waardige plaats en met de grootste eerbied, volgens de liturgische wetten, in de kerken moet bewaard worden. Zulk een bezoek is een bewijs van dankbaarheid, een teken van liefde en een plicht van aanbidding ten opzichte van Christus de Heer, die daar tegenwoordig is.

3. De godsvrucht tot Christus in de Eucharistie, onder ons verblijvend

Het is voor iedereen duidelijk, dat de heilige Eucharistie aan het christenvolk een onschatbare waardigheid verleent. Want niet alleen op het ogenblik, dat het Offer wordt opgedragen en het Sacrament wordt voltrokken, maar ook na het opdragen van het Offer en het voltrekken van het Sacrament, wanneer de Eucharistie in een kerk of oratorium bewaard blijft, is Christus in waarheid de Emmanuel, “God met ons” dag en nacht is Hij in ons midden, woont Hij onder ons, vol van genade en waarheid.

Hij leert ons, hoe wij moeten leven, Hij voedt onze deugden, troost de bedroefden, sterkt de zwakken, en nodigt allen, die tot Hem komen, uit, Hem na te volgen, van Hem te leren om zachtmoedig en nederig van hart te zijn, niet het eigen belang te zoeken, maar dat van God. Eenieder dus, die een bijzondere godsvrucht heeft tot de heilige Eucharistie en ernaar streeft om aan Christus, die ons oneindig liefheeft, bereidwillig en edelmoedig zijn wederliefde te schenken, zal tot zijn grote vreugde en voordeel ervaren en begrijpen, hoe kostbaar het leven is “met Christus, verborgen in God”, en hoe waardevol het is, zich te onderhouden met Christus; want hier op aarde is niets zo aantrekkelijk en niets zozeer in staat, ons vooruit te brengen op de weg der heiligheid.

4. De Eucharistie in onze kerken, als geestelijk middelpunt

Gij weet bovendien, eerbiedwaardige Broeders, dat de Eucharistie in de kerken of oratoria bewaard wordt als het geestelijk middelpunt van de kloostergemeenschap of de parochiegemeenschap, ja van de gehele Kerk en van de gehele in mensheid, want zij bevat onder de sluier van de gedaanten Christus, het onzichtbare Hoofd van de Kerk, de Verlosser van de wereld en het middelpunt van alle harten, “uit wie het al voortkomt en voor wie wij bestemd zijn”.

Hieruit volgt, dat de verering van de Eucharistie voor ons een sterke stimulans is om de “sociale” liefde te beoefenen, waardoor wij het algemeen welzijn stellen boven ons eigen belang, de belangen van de gemeenschap, de parochie, de universele Kerk als de onze beschouwen en onze liefde uitstrekken tot de gehele wereld, omdat wij overal ledematen van Christus aanwezig weten.

5. De eenheid van de Kerk als vrucht van de Eucharistie

Omdat dus, eerbiedwaardige Broeders, het Sacrament van de Eucharistie het teken en de bron is van de eenheid van het mystieke Lichaam van Christus, en in hen, die dit Sacrament met grotere godsvrucht vereren, een actieve “kerkelijke” geest wekt, moet gij zonder ophouden uw gelovigen leren om, wanneer zij tot het Geheim van de Eucharistie naderen, de zaak van de Kerk tot de hunne te maken, God voortdurend te bidden, zichzelf aan de Heer op te dragen als een aangenaam offer voor de vrede en de eenheid van de Kerk. Dit alles in de hoop, dat alle kinderen van de Kerk één en eensgezind mogen zijn en dat er onder hen geen scheuringen mogen ontstaan, maar dat zij overeenkomstig de wens van de Apostel volkomen één van zin en één van gevoelen mogen zijn. In de hoop ook, dat allen, die nog niet in volmaakte gemeenschap leven met de katholieke Kerk, als zijnde van haar gescheiden, maar die toch met fierheid de naam van christen dragen, door Gods genade zo spoedig mogelijk ertoe mogen komen om met ons die eenheid van geloof en gemeenschap te genieten, die Christus gewild heeft als het kenteken van zijn leerlingen.

6. Bijzondere roeping van de religieuzen

Vooral de mannelijke en vrouwelijke religieuzen moeten deze toeleg op gebed en toewijding aan God voor de eenheid van de Kerk beschouwen als hun speciale taak, omdat zij op bijzondere wijze geroepen zijn tot de aanbidding van het allerheiligste Sacrament en zij krachtens de geloften, die zij hebben afgelegd, als het ware de erewacht ervan vormen.

7. Aansporing van het concilie van Trente

Dit verlangen naar de eenheid onder alle christenen, dat de Kerk, als bovenal belangrijk, ter harte ging en nog steeds ter harte gaat, willen wij nog eens weergeven met de woorden zelf van het Concilie van Trente aan het slot van het decreet over de heilige Eucharistie:

“Met vaderlijke liefde tenslotte vermaant de heilige Synode de christenen, spoort hun aan, vraagt en smeekt hen “bij de milde erbarming van onze God” (Lc. 1, 78), dat allen zonder uitzondering eindelijk in dit teken van eenheid, in deze band van liefde, in dit symbool van eendracht mogen samenkomen en één mogen worden. Mogen de verheven Majesteit en de innige liefde indachtig zijn van onze Heer Jezus Christus, die zijn kostbaar leven als losprijs heeft gegeven voor ons heil en ons zijn Vlees te eten (Joh. 6, 48, vv) heeft geschonken, en mogen zij aan dit heilig Geheim van zijn Lichaam en Bloed geloven en het aanbidden met zulk een standvastig en sterk geloof, met zulk een innerlijke toewijding, met zulk een godsvrucht en verering, dat zij dit “supersubstantiële” brood (Mt. 6, 11) dikwijls kunnen nuttigen. Moge dit brood werkelijk voor hen het leven der ziel zijn, de bestendige gezondheid van hun geest, zodat zij door “zijn kracht gesterkt” (1 Kon. 19, 8), van deze droevige pelgrimstocht mogen komen tot het hemels vaderland, om daar onversluierd hetzelfde “brood der Engelen” (Ps. 77, 25) te eten, dat gij thans eten, verborgen onder de heilige gedaanten.”

8. Het verlangen van de Kerk naar eenheid

Moge onze barmhartige Verlosser, die vlak voor zijn sterven de Vader bad, dat allen, die in Hem zouden geloven, één mochten zijn, zoals Hijzelf en de Vader één zijn, dit vurig verlangen van ons en van de gehele Kerk zo spoedig mogelijk vervullen, nl. dat wij allen met één stem en één geloof het Geheim van de Eucharistie mogen vieren en, deelachtig geworden aan het Lichaam van Christus, één lichaam mogen worden, verbonden met dezelfde banden, waardoor hijzelf het gevestigd wilde zien.

9. Een broederlijk woord tot de Oosterse Kerk

Ook richten wij ons met broederlijke liefde tot hen, die behoren tot de eerbiedwaardige Kerken van het Oosten, waaruit zoveel roemvolle Kerkvaders zijn voortgekomen, wier getuigenissen over de Eucharistie wij in deze encycliek met vreugde hebben vermeld. Een grote blijdschap vervult ons, wanneer wij uw geloof in de Eucharistie, dat ook het onze is, beschouwen; wanneer wij de liturgische gebeden horen, waarmee gij dit grote Geheim viert; wanneer wij uw eucharistische eredienst bewonderen, en de theologen lezen, die de leer over dit verheven Sacrament uiteenzetten of verdedigen.

10. Gebed

Moge de allerheiligste Maagd Maria, uit wie Christus de Heer het vlees heeft aangenomen, dat in dit Sacrament onder de gedaanten van brood en wijn vervat is, geofferd en genuttigd wordt, en mogen alle heiligen Gods, vooral zij, die hebben uitgemunt door een vurige godsvrucht jegens de H. Eucharistie, ten beste spreken bij de Vader van barmhartigheid, opdat uit het gemeenschappelijk geloof en uit de gemeenschappelijke verering van de Eucharistie een volmaakte eenheid van gemeenschap moge ontstaan en uitgroeien onder alle christenen! Wij denken hier aan de woorden van de heilige martelaar Ignatius, die de christenen van Filadelfia waarschuwde tegen het kwaad van scheuringen en schisma’s waartegen het geneesmiddel te vinden is in de Eucharistie. Hij zegt:

“Beijvert u dan aan de H. Eucharistie deel te nemen; want één is het Vlees van onze Heer Jezus Christus en één de Kelk ter vereniging met zijn Bloed, één offeraltaar, zijn bisschop…”

11. Zegen

Vervuld van de aangename hoop op de vruchten, die uit een toenemende verering van de Eucharistie zullen voortvloeien voor de gehele Kerk en de gehele wereld, schenken wij aan u, eerbiedwaardige Broeders, aan de priesters, aan de religieuzen, aan al uw medewerkers en aan alle gelovigen, die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, met grote liefde en als onderpand van de hemelse genade, onze apostolische zegen.

Gegeven te Rome, bij Sint-Pieter, op het feest van de H. Pius X, 3 September 1965,
in het derde jaar van ons pontificaat.

Paus Paulus VI

Bron: Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie