Inleiding over de begenadigde Pater Reus

Pater Reus werd waardig bevonden het genaderijkste mysterie van ons geloof ongesluierd met zijn ziel te aanschouwen – dat wil zeggen op een geestelijke niet aan de zintuigen gebonden manier – en dit gedurende vijfendertig jaar.

Hij mocht klaar inzien dat de H. Mis het hoofdbestanddeel van iedere Godsverering is, de hoogste aanbidding en dankzegging en tegelijk een onuitputtelijke bron van genade. Deze mystieke belevenis heeft echter voor hemzelf het geloof niet opgeheven, maar nog meer verdiept, nog levendiger gemaakt.

Hij zei herhaaldelijk: “We moeten leren geloven! Deemoedig, met overgave en vertrouwen geloven!” Op aanschouwelijke en tegelijk overweldigende manier mocht hij ervaren dat de goddelijke Hogepriester in de gewijde priester op aarde voortleeft en voort werkt. Ja, dat Christus aan het altaar met de priester één wordt, dat Christus zelf in de priester het Heilig Offer, de onbloedige vernieuwing van zijn Kruisdood opdraagt. Zeer vaak zag Pater Reus in zijn priesterhand de stralende hand van zijn Verlosser. Zo schrijft hij op 7 augustus 1937: “Bijzonder bij de heilige consecratie zag ik weer de stralende hand van de goddelijke Verlosser, hoe die alle gebaren met mij en in mij maakte. Ik voelde het gewicht duidelijk, hoe twee stemmen dezelfde woorden spraken, namelijk mijn stem en die van de goddelijke Verlosser. Ik wil niet beweren dat ik met de lichamelijke oren de geheimenisvolle stem van de Heer vernam, daar ik tot hiertoe nooit met de lichamelijke zintuigen iets dergelijks waarnam. Maar het was alsof ik het met de lichamelijke oren ook hoorde. Bij de consecratie van de wijn hoorde ik heel duidelijk hoe de goede Heiland die consecratiewoorden in mij en met mij sprak, en hoe bij de opheffing van de kelk zijn stralende, goede handen in de mijne waren.”

“Niet enkel bij de consecratie, ook bij een ander onderdeel van de heilige Mis hoorde ik hoe de Heiland dezelfde woorden sprak. En bij de zegen, tot besluit van de Heilige Mis, zag ik hoe Hij met zijn rechterhand het kruisteken tezelfdertijd met mij maakte. Wat de priester zegent, is immers door God zelf gezegend en gewijd. Deze bekende waarheid liet de Heer mij waarneembaar zien, om in mij het vertrouwen op de zegen van de Kerk te vermeerderen.” (7-07-1946)

De Heer zelf- zo getuigt Pater Reus herhaaldelijk – vierde met mij het heilig Misoffer. Bij deze eenheid met Christus verwees Pater Reus ook op de zichtbare bijstand, die de Moeder van de Verlosser hem vaak verleende. Hij zag, hoe de lieve moeder Gods hem na de heilige consecratie de handen op de schouder legde of boven hem hield, en een andere keer vermeldt hij: “Ik zag de goede Heer aan het kruis en aan zijn rechterzijde de allerheiligste Maagd Maria, hoe ze Hem tijdens zijn bloedig Offer nabij bleef en vertrouwvol tot Hem opkeek.” Waar de goddelijke Zoon is, daar is ook zijn Moeder; waar de priester van Christus is, daar is ook Maria. Ze streeft voor hem de innigste verenging met Christus na.

Vooral bij het eucharistisch offer werd het de dienaar Gods bijzonder duidelijk, hoezeer de priester de plaatsvervanger van Christus is, hoe hij in de ware zin van het woord een “tweede Christus” is, zijn alter-ego. Omstreeks 1900 openbaarde de Heer aan één van zijn begenadigden: “De priesters zijn mijn alter-ego, mijn tweede ‘Ik’.” Paus Pius X was ontsteld toen hij deze woorden hoorde.

Volgens het conciliedecreet handelt de priester in de persoon van Christus en is door zijn leven en werken de afbeelding van Christus (constitutie over de Kerk). Samen met Christus en in eenheid met Hem biedt de priester aan de Hemelse Vader de hoogste aanbidding, eer en liefde aan.

Wat de priester echter in waarheid geheel tot priester maakt is de liefde en offervaardigheid. Daarom kon Pater Reus niet genoeg doen om de Heiland steeds opnieuw zijn liefde te betonen. Ontelbare malen sluiten zijn aantekeningen met een van harte gemeend: “Geef dat ik U waarachtig bemin!” Het grootste dat een priester kan schenken is de liefde, de onvoorwaardelijke overgave van zijn persoon aan zijn Heer en Meester, de opoffering van geheel zijn wezen. Het reine, heilige offer van Christus, schreef de pater eens, vereist lelieblanke priesters, zoals Jezus zelf is (10-7-1943). Het vereist priesters die bereid zijn met Jezus mee te offeren en mee te sterven. Pater Reus was zich op ieder ogenblik bewust: Zo hoog God de priester uit het volk omhoog heft, zo diep moet de priester zichzelf buigen.

Er ging telkens een huivering door hem als hij de hemelse Vader het kostbaar Bloed van de goddelijke Zoon in het heilig Misoffer opdroeg. Hij voelde zich daartoe steeds onwaardig. Maar als hij in de allerdiepste dankbaarheid de kelk met het H. Bloed in de handen hield, was het hem te moede alsof de hele mensheid met hem dankbaar moest knielen, omdat het grote wonder van de hernieuwing van het kruisoffer voltrokken mocht worden, niet een herinnering eraan of een symbool ervan.

“Groot is het loon van de liefde.”

De diepgelovigen, tot alle offers bereide Reus mocht bij de H. Mis niet enkel de overweldigende liefde van de Heilige Drievuldigheid ervaren, maar ook de heel persoonlijke liefde van ieder der drie goddelijke Personen, en dit vaak op een onuitsprekelijke manier. Die liefde echter, beklemtoont hij uitdrukkelijk, geldt ook voor iedere goede priester, die zich daarvoor niet onwaardig maakt. Weliswaar is die liefde niet waarneembaar, maar ze is een feit, zoals de intiemste levensgemeenschap tussen Christus en de priester Reus zich dagelijks in mystieke wijze in zijn heilige Mis hernieuwde. Pater Reus was overtuigd dat de bijzondere genadeblijken van de goddelijke liefde alle priesters en gelovigen ten deel vallen, maar dat deze wonderen van de goddelijke goedertierenheid alleen gewoonlijk niet gezien kunnen worden.

Toen Pater Reus bij het begin van de heilige Mis plechtig het kruisteken maakte en daarbij sprak: “In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,” was dit voor hem geen loutere formaliteit. Hij wist dat met dit kruisteken de geheimenisvolle hernieuwing van het kruisoffer begint tot eer van de allerheiligste Drievuldigheid. Zo luidt zijn aantekening van 22-7-1940: “Van bij het begin zag ik de allerheiligste Drievuldigheid in mijn onmiddellijke nabijheid. Ik meen dat men de priester moet zeggen dat hij zich bij de heilige Mis in de voelbare nabijheid van de allerheiligste Drievuldigheid bevindt.”

Pater Reus tijdens de H. Mis

Toen Pater Reus (op 25-9-1941) bij het slot van de psalm “Judica me” volgens het voorschrift, bij het Gloria Patri zich aanbiddend neerboog, zag hij plots voor zich twee rijen engelen, opstijgend tot de troon van de allerheiligste Drievuldigheid, die allen gelijktijdig met hem in diepe eerbied neerbogen. “Een vermaning met welke eerbied we deze lofprijzing moeten bidden. Een troost voor onze armoede, dat de heilige engelen ons helpen om aan de goddelijke Majesteit de verschuldigde eerbied te bewijzen!” Op 23-9-1945 schrijft hij: “Wat een onuitputtelijke genadebron bezit de priester om zo te zeggen in ieder woord van de heilige Mis! Van wat een hemelse rijkdom berooft hij zich als hij alles gedachteloos uitspreekt!”

Terwijl hij het “Kyrie” bad, zag hij (op 26-2-1941) hoe uit het allerheiligste Hart van Jezus een stroom opwelde die zich over hem uitgoot. Dit was voor hem een teken dat hij door deze stroom gereinigd moest worden. We smeken nooit tevergeefs om Gods barmhartigheid.

Bij het “Gloria” zag Pater Reus zich door een krans van engelen omgeven, die samen met hem luid de lofzang baden. Hij merkte daarbij meermaals op, hoe de woorden uit zijn mond als vuurvlammen tot Gods aangezicht opstegen. “Deze lofprijzing”, schrijft hij, “maakt veel goed voor de voortdurende nalatigheid van de mensen.” Verder schrijft hij: “Toen ik het altaar kuste, zag ik hoe ik de kus op de heilige lippen van Jezus drukte” (14-9-1943).

“Toen ik op 14 mei 1941 bij de bereiding van de offergaven het gebed “Ontvang, Heilige Vader...” bad, zag ik me plots voor de Hemelse Vader knielen. Ik bood Hem met beide handen mijn hart aan. Hij boog zich liefdevol tot mij neer en nam mijn hart met beide handen aan. Dan legde ik de hostie op het altaar neer. Deze goedheid van de Hemelse Vader maakte zo’n indruk op mij, dat ik in tranen uitbrak en een poosje moest wachten. De Hemelse Vader heeft me zo getoond dat dit gebruik, zichzelf op te offeren samen met het brood en de wijn, Hem zeer welgevallig is.”

Na alles wat tot hiertoe vermeld werd, is het niet te verwonderen dat Pater Reus zeer dikwijls, ook bij het gebed “Kom Heiligmaker...” de Heilige Geest mystiek mocht aanschouwen. Terecht merkt de dienaar Gods op: “Men vergeet te gemakkelijk dat het allerheiligste Offer, dat de Verlosser door de handen van de priester opdraagt, ook opgedragen wordt ter ere van de Heilige Geest. Met een onbeschrijfelijke liefde en innigheid vergeldt de Heilige Geest de liefde van Zijn armzalige schepselen. Hij is immers de liefde van de Vader en de Zoon.”

Ook bij de handwassing zag Pater Reus de Heilige Geest over zich, en hoe Hij hem zijn reinheid meedeelde. Om die reinheid bidt de priester immers in deze psalm, in opdracht van de Kerk. In verband met zijn lievelingsgodsvrucht tot het H. Hart van Jezus mocht Pater Reus bij ditzelfde deel van de heilige Mis nog een andere betekenis zien: “Toen ik na de offerande de handen waste, zag ik water vloeien uit de heilige zijdewonde van Jezus, dat me de handen en de ziel reinigde en zo voor God aangenaam moest maken. Het is steeds het heilig Bloed van Jezus dat ons van onze zonden reinigt. Men vergeet te gemakkelijk dat iedere plechtige handeling niet enkel een betekenis, maar ook een hemelse kracht bezit, om de priester en het volk te heiligen.”

Toen Pater Reus op 20 september 1938 het “Sursum Corda” sprak, zag hij zijn hart letterlijk omhoogvliegen. Hij knoopte daaraan de volgende overweging vast: “Daarmede wil het allerheiligste Hart van Jezus zeker te verstaan geven dat de woorden die in de heilige Mis gesproken worden, ook hun geheimenisvolle uitwerking hebben.”

Het daaropvolgende “Sanctus” bad hij waarneembaar met het koor der engelen, die aanbiddend rond de troon stonden. Een visioen bij de woorden “Benedictus qui venit…” beschrijft Pater Reus (op 27 mei 1940) met de volgende woorden: “Ik zag plots boven mij de goddelijke Heiland. Dan zag ik engelen. Ze begeleiden hun Heer als hij op de liefdeloze wereld neerdaalt, om zich opnieuw te offeren en bij ons te blijven. In de lege, door mensen verlaten kerken aanbidden ze Hem en houden Hem gezelschap, dat Hij tevergeefs bij de mensen zoekt. Ik moet dit schrijven en tekenen.”

“Bij het gebed “Te igitur” (Neem aan o Heer) vermeldt de pater op 21 november 1943: “Ik zag opeens het allerheiligste Hart van Jezus naast het mijne, en dan het allerheiligste Hart te midden van licht, dat ook over mijn hart uitstraalde. Dit duurde tot aan de Communie. De priester en de goddelijke Verlosser zijn één in het heilig Offer, maar heel de waarde en de schoonheid komt van zijn allerheiligste Hart.”

Het eigenlijke wonder van de goddelijke liefde is bij de eucharistieviering de heilige consecratie en de Communie. Dit wonder bleef voor Pater Reus onuitsprekelijk.

Hij was er dag na dag, jaar na jaar, door de goddelijke genade zo van aangegrepen, dat hij de laatste decennia bij iedere consecratie en Communie in extase viel, zijn ziel onderbrak voor kortere of langere ogenblikken haar dienst in het lichamelijk leven en verzonk als geest helemaal in de Geest van God, dompelde zich letterlijk in Gods onbegrijpelijke, oneindige liefde, in zijn geheimenisvol licht en leven onder.

childjesus

De consecratie

Op 19 februari 1943 beschrijft hij vol bewogenheid zijn vervoering: “Reeds bij de consecratie van het brood zag ik uit het Hart van de Hemelse Vader het Kindje Jezus uittreden. Ik zag dit heel duidelijk toen ik de consecratiewoorden over de kelk sprak. Het is een wonderbare liefde van de Hemelse Vader, dat Hij zijn eniggeboren Zoon dag na dag door de handen van de priester laat komen naar zijn aardse kinderen. Hoe waar is het toch wat de Heiland zegt: “De Vader heeft u lief!” – De liefde van God tot de mensen is het onbegrijpelijke, grote mysterie, het grootste dat bestaat. De almacht wordt tot onmacht aan het kruis – voor ons!”

Het mysterie van de heilige consecratie werd hem nog duidelijker getoond op 22 oktober 1941: “Reeds vóór de heilige consecratie was de goede Heiland daar aan het kruis, vervolgens de Hemelse Vader en daarboven de Heilige Geest, en daarrond een krans van engelen. Bij de woorden: “Dit is de kelk van mijn Bloed” zag ik het heiige bloed van Jezus in de kelk vloeien, die ik in de hand hield.”

Op 17 februari 1940 beleefde hij bij de heilige consecratie het volgende: “Zodra ik de eerste woorden over de kelk sprak ‘Hic est…’ (dit is…) vielen druppels van het heilig Bloed uit de Zijdewonde in mijn kelk. Toen ik verder sprak ‘calix sanguinis….’ (de kelk van Mijn Bloed) vloeide het Bloed stromend in de kelk. Heilige, troostvolle waarheid! Het Bloed van Christus, de Zoon van God, vloeit werkelijk, zij het ook onder een sluier verborgen, onder mijn hand op het altaar! Wat een genade voor mij dat Hij de geheimenisvolle sluier weggetrokken heeft en zich gewaardigd heeft mij de werkelijkheid te tonen!”

“De heilige Mis is waarachtig de hernieuwing van het kruisoffer van Christus! Christus heeft zichzelf in een eenmalige goddelijke liefdedaad aan de Vader opgeofferd – in onze naam en voor ons. Hij hernieuwt deze liefde – en offerdaad in iedere heilige Mis! Gratias agamus!”

Meer dan eens zag Pater Reus bij de consecratiewoorden “tot vergeving van de zonden” het heilig Bloed naar alle kanten overvloeien. Op 12 september 1942 stelde Pater Reus vast: “Bij de opheffing van de heilige gedaanten, de heilige Hostie en de kelk, had ik de gewoonte de plechtige handeling die op zichzelf de aanbidding beoogt van de onder die gedaanten verborgen Verlosser, ook te benutten om de Hemelse Vader opnieuw het heilig Offer op te dragen. Toen ik de heilige Hostie omhooghief, zag ik hoe twee handen ze uit mijn handen overnamen. Dit gebeurde ook met de kelk.”

Op 29 september 1940 moest hij schrijven en tekenen: “Gedurende de consecratie van de wijn zag ik het heilig Bloed hoog opborrelen, als een waterzuil, en dan bij de opheffing over de kelk heen zich op het altaar uitgieten.”

Opmerkelijk is het getuigenis van 11 augustus 1939: “Bij de consecratie van de heilige Hostie zag ik een vuurvlam eruit ontlaaien. Die omsloot me als een omarming. Na de tweede consecratie laaide deze omarmende liefdevlam vanuit de twee heilige gedaanten. Tegelijk steeg ook uit mijn hart een liefdevlam op, die zich naar boven verhief. Dit wil zeker het gemeenschappelijk offer van de priester en van het goddelijk Offerlam beduiden en bekrachtigen.” En hij besluit: “Priester en Offer zijn één door de liefde, wier bron het allerheiligste Hart van Jezus is.”

Een heel bijzondere indruk maakte op Pater Reus de volgende genade: “Bij de heilige consecratie zag ik de allerheiligste Drievuldigheid. De goede Hemelse Vader hield de allerheiligste, gekruisigde Zoon in zijn handen. De Heilige Geest zweefde in het midden. Daar dit een bekende voorstelling is, wantrouwde ik dit visioen. Maar het duurde ook gedurende de volgende gebeden min of meer voort. Ik zag hoe de allerheiligste Drievuldigheid neerdaalde, steeds naderbij kwam, terwijl ik verder bad, tot de gekruisigde Heiland in grijpbare nabijheid was. Dan trad de extase in. De Hemelse Vader liet toe dat ik de Verlosser samen met het kruis omarmde en op mijn hart trok. Dan bad ik verder.”

Soms zag Pater Reus in de heilige Hostie ook het heilig Aanschijn van de Heer. Bij het memento voor de overledenen zag hij (op 4 augustus 1939) de Verlosser aan het kruis. Tegelijk zag hij: “hoe uit de heilige zijdewonde zijn heilig Bloed in het Vagevuur neervloeide.” De pater merkte daarbij op: “Het allerheiligste Hart van Jezus is de bron van licht en troost voor de arme zielen. Deze bron opent zich op een bijzondere wijze in de heilige Mis, om met zijn Bloed de vlammen van het Vagevuur te doven.”

Op 30 september 1941 beleefde hij bij de woorden: “laat deze offerande door de handen van uw heilige engelen brengen…” hoe de heilige Aartsengel Michaël zelf de offerkelk aan de goddelijke Majesteit aanbood en met de kelk omhoog zweefde. Soms waren het andere engelen die de offerande aan de allerheiligste Drievuldigheid aanboden. Op 31 december 1941 schrijft hij: “Indien de engelen reeds alle gebeden van de mensen die zich onder hun bescherming vinden (bewaarengelen) aan de goddelijke Majesteit opdragen, met welke vreugde en eerbied zullen ze aan het altaar dienen om de volheid van de genaden van het allerheiligste Hart van Jezus naar de Kerk toe te brengen.”

Bij het gebed “Suplices” (Wij bidden U ootmoedig) zag Pater Reus op Pinksteren 1944 hoe de Heilige Geest in de gedaante van een Duif het Kindje Jezus voor de troon van de Allerhoogste omhoogdroeg, waar het vooreerst begroet werd door de lieve Moeder Gods. “Een zeer liefelijke voorstelling,” schrijft de pater, “hoe de lieve Heiland zich door de Heilige Geest voor de Kerk opoffert, tegelijk echter ook, met welke oneindige liefde voor ons, mensen, de Heilige Geest onophoudelijk tot het einde der tijden in het allerhoogste Offer werkzaam is, om het allerheiligste Hart van Jezus steeds te verheerlijken en tegelijk de liefde van het allerreinste Hart van Maria voor ogen te stellen.”

Ook volgende eenvoudige vaststelling is opmerkelijk (15 juni 1945): “Gedurende de gebeden na de consecratie zag ik hoe ieder woord als een liefdevlam omhoog steeg naar de Hemelse Vader toe. Bij de woorden “met alle hemelse zegen en genade vervuld worden” zag ik als antwoord van Zijnentwege uit zijn Hart een grote, brede vlam ontspruiten als zinnebeeld van de vele zegeningen, waar wij in deze gebeden om smeken.”

Bij het “Nobis quoque” (ook ons, zondaars) zag de pater op 6 juli 1939 hoe de gekruisigde goddelijke Verlosser zijn heilige armen vol goedheid en barmhartigheid naar hem uitstrekte, om hem vergiffenis te schenken. Ook mocht de begenadigde pater bij de opsomming van de heiligennamen na de consecratie, al die heiligen in een kring rond de allerheiligste Drievuldigheid aanschouwen. “Daarmee wordt aangetoond hoe zij om ons heil en onze volmaaktheid bekommerd zijn.” (9 juli 1941)

mass

De zogenaamde kleine opheffing van de heilige Hostie samen met de kelk vormde voor hem bij de woorden “alle eer en verheerlijking” een nieuw hoogtepunt van zijn heilige Mis. De pater had namelijk de gewoonte zich toen samen met de Verlosser opnieuw aan de Hemelse Vader als offerande op te dragen. Daarbij zag hij zich (op 3 augustus 1938) op het ogenblik dat hij de heilige Hostie omhoog hees, door haar omhooggeheven worden – de allerheiligste Drievuldigheid tegemoet. Lichamelijk echter bleef hij op het altaar staan. “Dat was slechts een ogenblik”, schrijft hij. “Daardoor geeft de goede Heiland duidelijk te verstaan, dat de Hemelse Vader de opoffering van zichzelf, van de kant van de priester, tegelijk met het offer van de goddelijke Zoon graag aanneemt en van zijn priesters verwacht.”

Als Pater Reus aansluitend het “Onze Vader” bad, kwam hij soms reeds van bij de eerste twee woorden in extase. Bij de woorden “geef ons heden ons dagelijks brood” zag hij hoe de Hemelse Vader zijn arm uitstrekte en op de goede Heiland wees, die aan zijn rechterzijde zat. Dat moet betekenen dat Hij ons tegelijk het liefste wat Hij bezit, als voedsel schenkt. Zijn eengeboren Zoon onder de gedaante van brood moet ons ware brood zijn. Meer dan eens werd dit hem verkondigd. Bij het Onze Vader gebeurde het meermaals dat het Kindje Jezus luid meebad of tenminste de handjes in de hoogte stak als teken van vreugde.

Innige vereniging met Christus

Bij de liturgische voorbereidingsgebeden tot de heilige Communie zag Pater Reus zijn heimwee naar God in de gedaante van vuurvlammen uit zijn mond opstijgen (19 juni 1938). Verlangen naar God kan als een brand zijn. Bij de woorden “Heer ik ben niet waardig”, zag de pater meer dan eens hoe de Heiland, ofwel als Gekruisigde ofwel in de gedaante van een Kind, zijn armen naar hem uitstrekte. Dit liet hem tot de overweging komen: “Gods barmhartigheid is oneindig groot tegenover de priester. Juist op het ogenblik dat de priester zich onwaardig verklaart om de Heer in zijn hart op te nemen, vindt Hij in zijn goedheid zijn hart daartoe zo goed voorbereid, dat Hij een waarachtig verlangen heeft er zijn intrek in te nemen.”

De uitwerking van het gebed “Heer, ik ben niet waardig”, mocht Pater Reus aanschouwelijk, bij de uitreiking van de H. Communie aan anderen, beleven. Zo schrijft hij (27 en 28 februari 1941): Toen ik me gereed maakte om de misdienaar de heilige Communie te reiken, zag ik achter hem de duivel, bij ieder “Heer ik ben niet waardig” verder achteruit wijken (in de Latijnse Mis wordt dit 3x gebeden, nvdr). Een bewijs voor de kracht van de nederigheid, die de mens op het ontvangen van het allerheiligste Sacrament voorbereidt.”

De heilige Communie zelf kwam haast gewoonlijk als een vuur in het hart van de dienaar Gods en scheen het in de gloed van de liefde te verbranden. God is immers een God van liefde, van vurige liefde. Toen hij bvb. op 10 april 1938 op het punt stond de heilige Communie te ontvangen, zag hij uit de heilige Hostie, die hij in de hand hield, een vlam opstijgen, die zich naar zijn mond toewendde. Hij verduidelijkte: “Dit moet zeker het verlangen van het allerheiligste Hart van Jezus verzinnebeelden, om zich met de ziel van de mens te verenigen.” Op 3 juli 1937 schreef hij: “De heilige Communie kwam als een vuur in mijn hart. Heeft de Heiland niet uitdrukkelijk gezegd: “Vuur ben ik op aarde komen brengen”. Ik zag uit mijn hart een vuurzuil opstijgen en dit niettegenstaande geheel mijn armzaligheid in het leven van de deugd.”

Op 28 februari beleefde Pater Reus bij zijn heilige Communie hoe van het altaar uit vuurvlammen achterwaarts sloegen en de zich daar bevindende duivelen op de vlucht dreven. Hij gaf daarbij volgende verklaring: “Het heilig Bloed bewaart de priester voor de bekoringen van de Duivel en doet hem, niettegenstaande alle moeilijkheden, troost ondervinden.”

Pater Reus had de schone gewoonte, telkens hij de laatste druppels van het heilig Bloed uit de kelk nuttigde, innerlijk de bede herhalen: “laat me nooit van U gescheiden worden.” OP 13 oktober 1939 hoorde hij van de Heiland dat hij nooit van Hem zou gescheiden worden.

mass4

Uitwerking van deze vereniging met God

In talrijke, veelzijdige visioenen werd de uitwerking van de heilige Communie aan de dienaar Gods aanschouwelijk getoond: zoals het steeds dieper één worden met Christus, maar ook het mede gekruisigd zijn met Hem, de innige levensgemeenschap met de allerheiligste Drievuldigheid. Luisteren we naar enkele belangrijke getuigenissen van de pater: “Op 20 april 1941 zag ik na het ontvangen van de heilige Communie de goede Heiland in mijn hart, zoals ik Hem gisteren gezien heb, als de verrezen Heer, omgeven door heilige Engelen. Het is immers zijn vreugde bij de mensenkinderen te zijn en in hun harten te wonen, bijzonder in het hart van de priester.”

Op 4 september 1940 verklaart hij: “Als God een brandend vuur is, dan moet ook de heilige Communie een brandend vuur zijn, dat de gehele mens in zijn gloed vat en verandert tot een vuur, zoals God zelf is. God heeft ons in het doopsel een zegel opgedrukt: je behoort voor eeuwig aan God. Deze liefde vernieuwt Hij in iedere heilige Communie. Als je niet hongert naar het levende brood, leeft je ziel een donker leven.”

Het absolute “licht-zijn” van de Eucharistie helpt ons ook “licht te worden” in éénwording met de Heer onder de gedaante van brood.

Ook als Pater Reus zijn medebroeders, die geen priester waren, de heilige Communie uitreikte, zag hij menigmaal na hun nuttiging in hun borst “een naar alle zijden uitstralend licht.” Het was niet bij allen even stralend en sterk, wat op een minder of meer goede voorbereiding duidde. (27 januari 1938)

Op 29 maart 1940 zag hij zich na de heilige Communie in extase met uitgestrekte armen aan het kruis hangen. Daarbij verklaart hij: “Ik ben met Christus aan het Kruis geslagen. Zoals de goede Heiland is ook de priester, met Hem, in de heilige Mis op een geheimenisvolle manier gekruisigd.”

Diep bewogen leest men herhaaldelijk van deze mystieke kruisiging, zoals die door Pater Reus na de heilige Communie wordt beleefd. Hij zag zich onder vreselijke kwellingen aan het kruis geslagen, onuitsprekelijke pijn lijdend. Hij moest immers met zijn goddelijke Verlosser één worden, mee lijden voor de zonden van de wereld. Slachtoffer van de liefde!

Pinksteren 1945 beleefde hij het volgende: “De drie goddelijke Personen kwamen in mijn onmiddellijke nabijheid, zodat ik helemaal door hen was ingesloten. Dit wil zeker betekenen dat wij door de heilige Communie geheel in God opgenomen worden, aan de goddelijke natuur deelachtig worden gemaakt! Wie kan dit mysterie in zijn grootheid ook maar een weinig vermoeden, laat staan begrijpen! Hoe moeten we ons in diepe eerbied voor de in ons wonende Drie-ene God steeds opnieuw aanbiddend neerbuigen en Hem met geheel ons hart trachten te beminnen! Nodigen we daartoe de lieve Moeder Gods, de heilige Jozef en de heilige Engelen uit. Zij helpen aanbidden, zij helpen danken, zij helpen beminnen!”

Pater Reus mocht bij de heilige Communie ook de lieve Moeder Gods en de heilige Jozef aanschouwen. Zo vermeldt hij op 19 mei 1941: “Bij de heilige Communie zag ik eerst de goede Heiland met zijn allerheiligste Hart, dan rechts en links van Hem de lieve Moeder Gods en de heilige Jozef, die ik door innerlijke openbaring herkende. Ik was hoogst verbaasd over dit hemelse bezoek. Maar iedere priester treedt door de kracht van de consecratie in een zekere verhouding tot de heilige Familie. Hij gelijkt op de Moeder Gods, in de manier waarop de Heiland door hem het sacramenteel leven bekomt. Hij gelijkt op de heilige Jozef omdat hij de Heiland ook moet beschutten en bewaren.”

De betekenis van de laatste zegen

Pater Reus mocht zien hoe de heilige Drievuldigheid of de Verlosser tegelijk met hem de zegen gaven. Eens zag hij hoe het Kindje Jezus zijn handje omhoog hief en tegelijk met hem zijn goddelijke zegen gaf. Daardoor wou de Heiland zeker op bijzondere wijze zijn hartelijkheid voor de schepselen uitdrukken. “Allerliefst” schreef de pater tot slot van deze vermelding. Een andere maal beschrijft hij (op 21 september 1941): “Toen ik tot slot van de heilige Mis de zegen gaf, zag ik boven mij de Heiland aan het kruis, die tegelijk met mij de zegen gaf en wel met een hand die van het heilig kruis was losgemaakt. Hij is niet enkel het zachtmoedig Offerlam dat zich opnieuw laat opofferen, maar eveneens de offerende, biddende en zegenende Hogepriester. Wat de priester aan het altaar doet, doet de Heer in hem en met hem.”

Het was een ontroerend ogenblik voor Pater Reus toen hij bij de slotzegen van de heilige Mis beleefde hoe de heilige Drievuldigheid samen met hem de zegen gaf en wel over een ontelbare menigte. Pater Reus beklemtoont uitdrukkelijk: “De zegen van de heilige Mis geldt duidelijk voor de ganse kerk want de priester moet de zegen geven, ook als hij heel alleen de heilige Mis opdraagt.” Zo heeft iedere priester de macht en de kracht om de hele wereld te zegenen. In de mate van zijn geloof en vertrouwen zal die zegen ook werkzaam zijn, vooral als een zegen tot het bannen van de demonen van de tijd.

De dankzegging van de pater na de heilige Mis was eigenlijk een voortzetting van de liefdegloed die hij aan het altaar had beleefd. In dit kwartiertje wilde de Heiland van Hem geen gebeden, maar enkel zijn voortgezette woordeloze liefdesbetuiging aannemen. Daarbij was de pater zich bewust van zijn onvermogen: “Wat ik Hem geef, dat is niets!”

Pater Reus bad dan ook vaak om helpers en voorbidders voor dit kostbaar kwartiertje. Hij wendde zich vooral tot de lieve hemelse Moeder, opdat zij hem zou helpen aanbidden en beminnen. Hij wendde zich tot de vrienden van het goddelijk Hart van Jezus. Hij verenigde zich bijzonder met de hulde en de liefdevolle aanbidding van de heilige engelen. Zo schreef hij eens: “Ik zag twee engelen aan mijn zijde, die met mij de Heiland in mijn hart aanbaden. Het waren Serafijnen geloof ik. Dit wil zeker betekenen dat de heilige engelen, als wij ze uitnodigen, zoals ik steeds doe, met ons de goddelijke Verlosser aanbidden en hun liefdevlam met de onze verenigen.”

Vol zaligheid getuigde hij eens (op 1 januari 1942): “In de dankzeggingen na de heilige Mis ondervind ik een aan het ongelofelijke grenzende vertrouwelijkheid en innigheid. Reeds vaak kwam in mij de gedachte op: “Het kan in de Hemel niet schoner zijn dan aan het altaar, in trouw verkeer met God!”

Wij bidden: “O Liefde van God, wees de zee die onze eigenliefde verzwelgt! Wees het vuur dat onze eigen wil voor eeuwig in uw heilige wil verbrandt!”

Pater Johannes Reus S.J. (1868-1947) verbleef het grootste deel van zijn priesterleven als missionaris in Brazilië. 35 jaar lang droeg hij zwijgend en voor de wereld verborgen, de stigmata van de Heer. Na zijn dood voltrok een geheimenisvolle macht de mensen naar zijn graf. In 1971 waren er reeds meer dan 100.000 gebedsverhoringen geregistreerd. Het kerkelijk proces voor zijn zaligverklaring was in 1987 bezig.