De geschiedenis getuigt van het feit dat tijdens de vervolgingen die plaatsgrepen in de vroege dagen van de Kerk, er vele martelaren stierven terwijl ze hun trouw zweerden aan het Geloof en hun geloof in de Heilige Eucharistie. De inscripties en de kunstuitingen die hun graven versieren in de catacomben, tonen dit duidelijk aan. Het lijkt passend dat wat het eerste Eucharistisch Mirakel van de Kerk kan geweest zijn, gebeurde tijdens de tijd toen de Mis in het geheim werd gecelebreerd.

Het eerste mirakel wordt in verband gebracht met een jonge Romeinse acoliet, de H. Tarsicius genaamd, die leefde tijdens de 3de-eeuwse vervolging door Keizer Valerianus. De leiders van de Kerk waren zo onder de indruk van Tarsicius trouw en moed, dat ze hem het dragen van het H. Sacrament naar gevangen Christenen die hun martelaarschap afwachtten, toevertrouwden. Omdat volwassen mannen vaak verdacht werden van het zijn van priesters, werd de gewoonte in het leven geroepen van het toestaan van jonge mannen, die niet oud genoeg zijn om priester te zijn, om deze dienst van vertroosting aan de veroordeelden te brengen. Dit werd gedaan met de meest bijzondere geheimhouding, omdat de ontdekking van hun missie zou resulteren in gevangenschap of dood. De geschiedenis van de heilige verhaalt dat op een dag enkele ongelovigen hem tegen het lijf liepen, terwijl hij het H. Sacrament aan het dragen was. Voor onbekende redenen, werd Tarsicius onder verdenking gesteld; het kan verondersteld worden dat zijn vroom gedrag de nieuwsgierigheid van de heidenen wekte. Toen ze hem vroegen waar hij naartoe ging, weigerde hij te spreken. In hun woede sloegen ze hem dood met stokken en stenen. Naderhand, toen ze zijn lichaam omkeerden, konden ze geen spoor vinden van het H. Sacrament in zijn handen of in zijn kleren.

Vrome Christenen legden beslag op het lichaam van de jonge martelaar, en begroeven het in het kerkhof van St. Callistus. Het lijkt erop dat zijn relieken een tijdje werden bewaard in het graf van Paus Zephyrinus. Zijn relieken worden nu naar verluidt bewaard in de kerk van San Silvestro in Capite, Rome.

***

Een andere daad van geloof werd gesteld door de H. Lodewijk, Koning Lodewijk IX van Frankrijk (+1270). Zijn biografen verhalen dat op een dag, tijdens de uitstelling van het H. Sacrament in de kapel in zijn residentie, de heilige bezig was met zijn studies, toen een hoveling uitriep: “Sire, het Kindje Jezus verschijnt in de Hostie op het altaar!” De heilige schreef rustig verder, en antwoordde stilletjes: “Ik zou niet standvastiger kunnen geloven in Christus’ aanwezigheid in de Eucharistie indien ik een mirakel zou aanschouwen.”

***

Een tijdgenoot van de H. Lodewijk, de H. Antonius van Padua (+1231), was betrokken bij een zeer spectaculair Eucharistisch mirakel. En er was bovendien ook een muildier bij betrokken. De geschiedenis van de heilige verhaalt dat een man genaamd Boniville, waarvan men gelooft dat hij een Albigensiaanse ketter was die de geldigheid van al de sacramenten afwees, op een dag in Toulouse de heilige ondervroeg over het Sacrament van het Altaar. Boniville ontkende de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in de geconsacreerde Hostie, terwijl de heilige het standvastig verdedigde. Als een test, stelde één van hen voor dat de keuze zou gemaakt worden door het muildier van Boniville. Beiden gingen akkoord. Het muildier werd voor drie dagen in een stal gehouden, zonder enig voedsel. Op het einde van die vasten, verzamelde zich een grote volkstoeloop om het aanstaande gebeuren te aanschouwen. Toen het muildier voor St. Antonius werd gebracht, hield hij een geconsacreerde Hostie vóór het dier, terwijl Boniville trachtte het hooi en haver te doen eten. Het muildier keek niet om naar het voedsel, maar viel op z’n knieën vóór het H. Sacrament. De katholieken die dit mirakel zagen, jubelden het uit van vreugde, terwijl de ongelovigen zeer verward waren. Boniville zou zich direct bekeerd hebben, samen met een groot aantal ketters.

***

Wat dichter bij onze tijd, gebeurde er een opmerkelijk wonder, welke het geloof en de heiligheid van de H. Johannes Bosco demonstreerde (+1888). De heilige is bekend als een visionair, auteur, stichter van twee religieuze orden, enz. Steevast aangetrokken tot de bediening van het helpen van weesjongens, opende hij verschillende instellingen voor hun zorg en onderwijs, en hij werd bekend als ‘Vriend van de Jeugd’. Het was in één van deze instellingen, of oratoria (huizen van gebed), dat op het feest van de geboorte van de Moeder Gods (8 september), er bijna 600 jongens in de kerk waren vergaderd. De koster had een ciborie voorzien die voldoende hosties bevatte, maar vergat dit op het altaar te zetten. De ciborie in het tabernakel had maar 20 geconsacreerde Hosties. Na de consecratie, tijdens de opheffing van de Hostie, besefte de koster dit, maar het was te laat om er nog iets aan te doen. Hij kon maar wachten totdat hij een bestraffing zou krijgen van Don Bosco. Toen het tijd was om de Communie uit te reiken en Don Bosco de ciborie ontdeed van het deksel, zag hij het klein aantal Hosties. Zijn gelaatsuitdrukking toonde zijn teleurstelling over het feit dat hij niet in staat zou zijn om de H. Communie te geven aan al de jongens. Desalniettemin staarde hij richting de hemel, bad hij voor een moment en stapte toen richting de communiebank. Nadat hij de eerste rij jongens de Communie had toegediend, nam een andere groep hun plaats in. De ene rij volgde de andere op, en toch raakte de voorraad Hosties in de ciborie niet uitgeput. Toen Don Bosco terugkeerde naar het altaar, en alle jongens de Communie hadden ontvangen, waren er nog een redelijke hoeveelheid Hosties in de ciborie. De koster was met verstomming geslagen.

De H. Johannes Bosco had een uiterst groot vertrouwen in het H. Sacrament en in de H. Maagd Maria, de Hulp der Christenen, en hij sprak vaak over drie bronnen in het bovennatuurlijk leven: Biecht, devotie tot de Gezegende Moeder en het ontvangen van de H. Communie.

Bron: JOAN CAROLL CRUZ, Eucharistic Miracles, Tan Books and publishers, Rockford, Illinois, 1987