Niemand heeft groter liefde dan deze die zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joan. XV, 13).
Zo sprak de Zaligmaker tot zijn geliefde leerlingen, op het ogenblik dat Hij zich bereidde hun het grootste teken te geven van zijn liefde, toen Hij, namelijk, niet alleen zijn leven ten beste ging geven voor de verlossing der wereld, maar zijn eigen Vlees en Bloed, als een kostelijk erfdeel, aan de mensen schonk, om tot het einde der wereld geslachtofferd te worden. En wat zei Hij over tweehonderd jaar, wanneer Hij te Paray-le-Monial aan de ootmoedige Margareta-Maria verscheen? “Ziehier dit Hart”, sprak Hij, “dat de mensen zó bemind heeft!”
Het feest van het H. Sacrament kwam er het eerst; de wens van Jezus dat deze feestdag er zou komen in juni werd door de Heilige Juliana van Cornillon in de 13de eeuw bekend gemaakt, en in 1264 door Paus Urbanus IV ingesteld voor de hele Kerk. Pas in de 17de eeuw verscheen de Heer aan Maria-Margareta Alacoque om haar de devotie tot zijn Heilig Hart bekend te maken, en te vragen dat men de vrijdag na het octaaf van Sacramentsdag, het feest van het H. Hart zou vieren. Daarom is de junimaand ook de H. Hartmaand. Die twee feesten hangen onlosmakelijk met elkaar verbonden: Sacramentsdag is eigenlijk ook een feest van Jezus’ Heilig Hart; en het feest van het H. Hart is eigenlijk ook een soortfeest van het H. Sacrament.
De vele Eucharistische mirakelen van door eeuwen heen, welke recent wetenschappelijk werden onderzocht, tonen dat de in de H. Mis geconsacreerde H. Hostie steeds het H. Hart van Jezus is: het vlees is van de hartspier van een stervende man van in de 30 jaar, en het bloed is altijd van bloedgroep AB. De miraculeuze Hostie in Lanciano van 750 toont precies diezelfde kenmerken als de miraculeuze Hostie van Buenos Aires van 1996, of de miraculeuze Hostie van Legnica van 2013. Nooit vond men in een miraculeuze Hostie bvb. spierweefsel van de arm, of van het been, of bvb. weefsel van de lever, de nieren, of wat dan ook. Altijd was het hartspierweefsel. Dus weefsel van het hart waarmee Jezus de mensen zo bemint, waardoor Hij – het Lam Gods – voor ons op het Kruis een gruwelijke marteldood, een dood van een schurk, heeft willen sterven. Jezus geeft zich geheel aan ons in de H. Hostie, maar vooral lijkt God te willen benadrukken dat Hij ons zijn Hart geeft, en dus zijn Liefde geeft.
Als we Sacramentsdag vieren, of het feest van het H. Sacrament (of Corpus Christi), dan vieren we de werkelijke Tegenwoordigheid van de Heer in dit H. Sacrament: Hij is er werkelijk en levend aanwezig. Het is werkelijk “zijn vlees”, zoals Hij zei in het Johannesevangelie, maar onder de gedaante van brood. We vieren en danken God dat Hij het H. Misoffer, en dus ook het H. Sacrament heeft gegeven aan de Kerk, zodat Jezus effectief onder ons blijft tot aan het einde der tijden. Het H. Sacrament is bovenal een liefdessacrament, een sacrament van zijn Heilig Hart dat ons zo innig bemint. En dat Heilig Hart, dat ons zo bemint, dat brandt van liefde voor ons zondaars, maar dat ook zo gewond is door de vele zonden, beledigingen en heiligschennissen in deze wereld; vieren we de vrijdag na het octaaf van Sacramentsdag. We vieren het feest van het Hart van de Godmens, van het fysieke vleesgeworden Hart van God, dat ons de liefde van de Vader moet tonen voor alle mensen.
Het H. Sacrament en het H. Hart zijn één. Laten we in deze dagen dan ook met meer liefde en dankbaarheid Jezus aanbidden in zijn Heilig Sacrament, en zijn Heilig Hart op bijzondere wijze vereren. En laten we ook eerherstel brengen, voor de zovele beledigingen Hem aangedaan, die zijn Hart zo verwonden, en welke afgebeeld worden door de doornenkroon rond zijn Hart. God zal ons dat lonen.
Inleiding: Hulp en bijstand door Jezus Christus beloofd aan Zijn Kerk
Nadat onze allerbarmhartigste Verlosser aan het kruishout voor het mensdom het heil had bewerkt, wilde Hij alvorens tot Zijn Vader op te stijgen, Zijn apostelen troosten en sprak: Ziet Ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld” (Mt. 28, 10). Dit zo verblijdend woord is de bron van al onze hoop en gerustheid; en het komt Ons, Eerbiedwaardige Broeders, als vanzelf in de gedachte, zo dikwijls Wij van deze om zo te zeggen, hoge wachttoren, onze blik laten gaan zowel over de gehele menselijke maatschappij, die aan zoveel kwalen en ellenden lijdt, alsook over de Kerk zelf, onophoudelijk ten prooi aan aanvallen en hinderlagen. Want, gelijk die goddelijke belofte in de beginne de terneergeslagen gemoederen van de Apostelen opbeurde, en hen daarna ontgloeide en ontvlamde om het zaad van de Evangelische leer over de hele wereld uit te strooien, zo heeft diezelfde goddelijke belofte ook later de Kerk tegen de poorten der hel ter overwinning gevoerd. Zeer zeker, onze Heer Jezus Christus liet Zijn Kerk nooit alleen; maar méér nabij toch, was Zijn hulp en bijstand, naarmate zij met ernstiger gevaren en moeilijkheden te kampen had; doordat dan nl. de goddelijke Wijsheid, wier „kracht zich uitstrekt van het ene einde tot het andere, en alles ten beste schikt” (Wijsh. 8, 1), de middelen verschafte die aan de eis van tijden en toestanden bij uitstek beantwoorden. En ook in de jongste tijden „is de Hand des Heren niet verkort” (Jes. 59, 1), vooral toen een dwaling binnendrong en zich sterk verspreidde, waardoor het te vrezen viel, dat zij in zekere zin de bronnen van het christelijk leven zou doen opdrogen, daar zij de mensen van de liefde tot God en de vertrouwelijke omgang met Hem aftrok.
Hierover heeft onze liefdevolle Zaligmaker, toen Hij aan de H. Margareta-Maria Alacoque verscheen, zich beklaagd, en vervolgens duidelijk aangegeven, wat Hij van de mensen tot hun eigen welzijn verwachtte en wilde.