Mirakel van Gent, België, 1686

In 1686 pleegden drie kerkrovers in de nacht van 16 op 17 december een diefstal in de Sint-Maartenskerk te Kortrijk. Ze sloegen een raam in en zaagden een houten pilaar door die het koor van de kerk omgaf. Vervolgens braken ze het tabernakel open en ontvreemdden verschillende cibories, kelken en een zilveren doos. De Hosties van de ciborie strooiden ze uit op de grond in de Kerk. Toen sloegen ze op de vlucht en gingen te paard richting Gent. De rovers scheidden van elkaar en de laatste, Pieter Bogaert ging met de reiszakken met de gestolen goederen alleen op weg. In Maaltebrugge (Sint-Denijs-Westrem) bij Gent ontmoette hij een herder met zijn kudde. De schapen vormden een kring en knielden voor het Heilig Sacrament die in de zilveren doos in één van de zakken zat. In paniek gooide hij die zak weg in een waterpoel, waarna de schapen ook daar kwamen knielen.

Na een grondige zoekactie werden de drie rovers gevat en het vaatwerk werd gerecupereerd. Pieter moest toen de plek aanwijzen waar hij de zak met de overige kerkschatten had gedumpt. De plechtige overbrenging van het heilig vaatwerk naar Kortrijk vond plaats op 1 januari en kende een grote volkstoeloop, ondanks de vrieskou en de sneeuwval. De Hosties werden overhandigd aan de abt van de Sint-Pietersabdij in Gent. De drie rovers, die nog heel wat andere kerkdiefstallen op hun geweten hadden, werden uiteindelijk terechtgesteld.

De plechtige overbrenging van het heilig vaatwerk naar Kortrijk vond plaats op 1 januari en kende een grote volkstoeloop, ondanks de vrieskou en de sneeuwval. De Hosties werden overhandigd aan de abt van de Sint-Pietersabdij in Gent.

In mei 1687 werd op die plaats een mooie barokke kapel gebouwd die reeds in oktober dat jaar werd voltooid.  Op 12 oktober werden de Hosties door de abt van de St-Pietersabdij plechtig naar de nieuwe kapel gebracht: de Heilig Sacramentskapel, later ook Putkapel of het ‘Putje’ genoemd. Paus Benedictus XIV verleende op 20 april 1758 een volle aflaat aan diegenen die de kapel zouden bezoeken op de vierde zondag na Pinksteren. Paus Clemens XIII verleende op 25 februari 1762 aan de leden van het ‘Broederschap van het Allerheiligste Sacrament’ dat in het ‘Putje’ werd opgericht, verschillende aflaten mits bepaalde voorwaarden. Paus Clemens XIV verleende op zijn beurt een volle aflaat voor zeven opeenvolgende jaren, aan wie éénmaal per jaar op gelijk welke dag de Putkapel zou bezoeken. Het putwater dat men in de kapel kon oppompen bewerkstelligde vele genezingen. Door de woelige tijden van de Franse Revolutie en daarna verwisselde de kapel vaak van eigenaar en bleef het vaak lange tijd gesloten. Dit zorgde dat de devotie en de bedevaart er naartoe afnam.

In 1944 kreeg de kapel de definitieve doodsteek: de Duitsers staken het in 1944 in brand en het ganse interieur met schilderijen, glasramen en dergelijke, ging volledig verloren. In 1958-1960 werd de kapel terug hersteld maar niet meer in gebruik genomen. Het bleef tientallen jaren gewoon leeg staan. De kapel, die intussen geklasseerd staat als beschermd monument, is niet toegankelijk voor de gelovigen en wordt ook niet meer gebruikt. Af en toe wordt het verhuurd voor niet-kerkelijke evenementen. De kapel zal in 2018 worden gerestaureerd opnieuw opengesteld worden voor het publiek, als ontmoetingsplaats voor de buurtbewoners. Men zal echter ook opnieuw putwater kunnen oppompen.

De heilige Hosties werden in de beginjaren in de Putkapel bewaard. Tijdens de jaren van de Reformatie werden de Hosties naar de kerk in Ledeberg overgebracht. Daar werden ze in een speciaal schrijn bewaard van kristal en goud. De Hosties zijn echter niet bewaard gebleven. In 1804 werd door de bisschop onderzoek ingesteld en men kwam tot de conclusie dat de speciën die er werden bewaard, niet meer de oorspronkelijke Hosties waren. In 1887 waren er slechts nog enkele ‘stofdeeltjes’ overgebleven in het schrijn.