Mirakel van Alatri, Italië, 1228

Een jonge vrouw uit de stad Alatri voelde zich aangetrokken tot een knappe jongeman, die vele aanbidders had. Tevergeefs probeerde zij zijn aandacht en interesse te wekken door op zoek te gaan naar iemand die haar een liefdesdrank kon geven, en kwam al snel in aanraking met een vrouw die er meer van af zou weten. De jonge vrouw moest zo snel ze kon deelnemen aan de Eucharistie en voordat de Hostie zacht zou worden de Hostie bewaren in een doek. “Want,” zo zei de vrouw “welk medicijn is sterker dan eentje gemaakt met het Heilig Lichaam van de Koning der Harten?”


De jonge vrouw deed zoals ze was gevraagd en was ervan overtuigd dat niemand had gezien dat ze het Heilige Sacrament had verwijderd. Haar geweten echter speelde haar echter bijna direct parten. Tijdens haar wandeling naar huis, en zeker toen ze het huis binnenliep, voelde ze haar geweten zo erg, dat ze het probeerde te kalmeren door de Heilige Hostie te verbergen. Ze plaatste het Heilige Sacrament in een kleine zak en zocht naar een veilige schuilplaats. Ze besloot uiteindelijk te gaan voor een afgelegen hoek van het huis waar brood bewaard werd.

Twee dagen en nachten gingen voorbij. Tijdens de lange nachten werd de jonge vrouw geteisterd door nachtmerries en ze dacht stemmen te horen die haar veroordeelden tot het eeuwige vuur. Op de derde dag, vlak na zonsopgang, kwam ze uit haar bed en nam de Hostie. Terwijl ze twijfelde of ze de Hostie moest brengen naar de vrouw die haar zulk slecht advies gegeven had, of terug moest geven aan de kerk, opende ze de zak en haalde de linnendoek eruit, waarin de Hostie zat. Tot haar schrik zag ze dat de Hostie niet langer bestond uit brood, maar Het had nu de kleur van vlees, en ze voelde dat het leefde.

Haar tranen en gehuil trokken de aandacht van de andere leden van haar gezin die naar haar toe kwamen gesneld. Ze zagen het wonder en lichtten snel de buren in. Het nieuws verspreidde zich snel over de hele gemeenschap en, door de boodschappers, over de hele stad.

Toen de parochiepriester het hoorde ging hij met andere priesters naar haar huis en namen ze de zak mee waarin de Hostie zich bevond. Ze bedekten het met een sluier. Terwijl ze terug liepen naar de kerk besloot de priester om de Hostie naar de bisschop te brengen, omdat hij zich bewust was van de commotie en het enthousiasme van de menigte die het wonder voor zichzelf wilden houden.

Er wordt beweerd dat onder de mensen die de priester begeleidde er eentje was die ze miste, de vrouw die de suggestie aan de jonge vrouw had gegeven. Deze vrouw bevestigde later dat toen ze het hoorde over het wonder ze zich had opgesloten in haar huis en haar verdediging voorbereidde. Ze besloot om te verklaren, naast andere dingen dat ze een goed en eerlijk persoon was die gebeden opzei, dat de jonge vrouw een leugenaarster was die haar vals beschuldigde. Toen ze tevreden was met haar verdediging voelde ze zich beter en toen de boodschapper kwam met een uitnodiging van de bisschop ging ze ook met hem mee. Toen ze zag dat de menigte haar niet vijandig was, voelde ze nieuwe sentimenten, en besloot ze zich voor de voeten van de bisschop neer te werpen en om vergeving te vragen.

Ondertussen was in de kathedraal de Hostie geplaatst op het altaar tussen kaarsen en bloemen. De rij mensen die dichterbij kwamen om het Wonder te zien leek eindeloos. De volgende dag toonden de mensen uit nabij gelegen gebieden ook interesse. Tijdens dit alles was bisschop Giovanni van Altari bijna constant in gesprek met kerkelijke of burgerlijke mensen die hem over dit wonder wilde onderhouden.

Terwijl iedereen het er mee eens was dat een grote Heiligschennis had plaats gevonden wisten ze niet welke zware en toonaangevende straf ten deel moest vallen aan de twee vrouwen. Een brief werd toen opgesteld door bisschop Giovanni en geadresseerd aan de Hoogste Pontifex, Gregorius IX, waarin kort de heiligschennis werd omschreven, alsmede het wonder dat daaruit volgde. De Heilige Vader werd gevraagd welke straf de vrouwen moesten ondergaan, die schuld hadden bekend en in berouw waren. Na zorgvuldig de zegels en handtekeningen van de Bisschop en zijn verwanten te hebben aangebracht werd de brief verstuurd naar Rome door een koerier.

Tijdens Pasen van datzelfde jaar, 1228, kon de bisschop van Alatri het antwoord van de Paus in vreugde tonen. Het antwoord droeg de datum van 13 maart. Het document met de handtekening van de Paus wordt zorgvuldig bewaard in de archieven van de Kathedraal van Alatri. Na het herhalen van de feiten in deze zaak stelde de Pontifex:

    • …we moesten onze diepste dank betuigen aan Hem, die, altijd werkend op de meest wonderlijke manieren in al Zijn daden, op sommige aangelegenheden werkt met wonderen en nieuwe wonderen laat zien om de zondaars tot boetedoening te roepen, heidenen tot bekering te brengen en daarmee slechte daden van heiligschennis rechttrekt tot het geloof in de Katholieke Kerk, haar hoop verstevigt en haar goedheid aanwakkert.

 

    Daarom, dierbare broeder, via deze apostolische brief, hebben we besloten om een lichtere straf op te leggen aan het meisje die, naar onze mening, deze serieuze zonde beging, meer uit zwakheid dan kwaadaardigheid, zeker in achtnemend dat ze oprecht spijt had toen ze haar zonde opbiechtte. Tegen de aanstichtster, echter, die met haar perversiteit het meisje overhaalde tot het begaan van deze heiligschennis, mag je die disciplinaire maatregel nemen die jouw het meest toepasselijk is. Laat haar ook de bisschoppen bezoeken in de omgeving, om haar zonde voor hen te bekennen en hun vergeving te vragen, met oprechte onderdanigheid.

De wonderlijke Hostie bleef in perfecte conditie door de eeuwen heen tot het jaar 1700, toen bisschop Monseigneur Guerra een klein gedeelte ervan weggaf aan Kardinaal Cybo. Dit gedeelte was omschreven als een stukje ter grote van een kikkererwt. Dit kleine stukje werd geplaatst in een relikwieënschrijn gemaakt door de kardinaal, die de opdracht gegeven had aan de Kerk van de Sancta Maria degli Angeli alle Terme in Rome, waar hij graag begraven had willen worden. Echter, toen de kloosterlingen die deze kerk onderhielden, later werden overgeplaatst, verplaatsten zij de Hostie naar een andere plaats, misschien omdat ze het verzoek van de kardinaal, dat de Hostie daar moest blijven, vergeten waren. Sindsdien is meerdere malen geprobeerd om dit kleine stukje van de Heilige Hostie terug te vinden, maar zonder enig succes.

Het grootste deel van de wonderlijke Hostie, dat in een eigen kapel in de kathedraal van Alatri wordt bewaard, wordt twee maal per jaar tentoongesteld: op de eerste zondag na Pasen [op het feest van de Goddelijke Barmhartigheid] en de eerste zondag na Pinksteren [op het feest van de Heilige Drievuldigheid]. Vanwege zijn nederige oorsprong wordt dit ook het “Het wonder van de armen” genoemd.

In 1960, tijdens de viering van het vijfentwintigste bisschoppelijk jubileum, verklaarde bisschop Edoardo Facchini van Altari dat hij bekend was met het diepe geloof van de mensen in de werkelijke aanwezigheid van Jezus in de Eucharistie, welke door het wonder van de geïncarneerde Hostie, die wordt vereerd en bewaard in onze basiliekkathedraal, werd bevestigd. De bisschop leek het goed om tijdens deze viering door te gaan met de canonieke erkenning van dere heilige reliek, die werd uitgevoerd in de aanwezigheid van een andere bisschop en andere geestelijken.

De monstrans werd uit de kapel genomen en naar een gedeelte in de kathedraal gebracht, waarvan de zegels zorgvuldig werden onderzocht en intact bleken te zijn. Het glas waar de Hostie in bewaard werd, werd verwijderd van de monstrans; en het lint van rode zijde en de zegel van Monseigneur Pietro Saulini, bisschop van Alatri, werden herkend. Deze waren dezelfde als die omschreven in de notulen van de vorige canonieke erkenning op 1 december 1886.

Na het verbreken van de zegel nam bisschop Facchini de wonderlijke Hostie. Hij verklaarde dat deze er nog steeds hetzelfde uitzag als in de vorige erkenningen … dat wil zeggen: een stuk vlees dat bruin van kleur was, dat een cilindrische vorm had aangenomen door het glas waarin het heeft vastgezeten, en dat glansde op de plaatste waar het met het glas in aanraking was geweest.

Na het overleg met de getuigen en hun erkenning en tevredenheid met het onderzoek werd de wonderlijke Hostie teruggeplaatst achter het glas en gesloten met een dubbele zegel. Toen werd deze in zijn zilveren en gouden monstrans geplaatst, die eruitziet als een stralend kruis van goud.

Voor de zevenhonderdvijftigste verjaardag van het wonder in 1978 werden speciale vieringen gehouden en lezingen gegeven. Deze lezingen zijn bewaard in boekje die ook de details van het wonder bevatte. Tijdens de vieringen voor deze verjaardag verklaarde Mgr. Cesario D’Amato dat het wonder blijft bestaan. Het is zichtbaar, onverwoestbaar, echt.